Wonen in een beestenstal
| II-B-6, fol. 321. |
|
Op vrijdag 30 mei
1760, tegen de avond, overhandigde de
bode een brief aan het dorpsbestuur van
Veghel. Het was een brief uit Den Bosch
van de heer Schmeling, Raad en
Rentmeester Generaal der Domeinen. Deze
had een klacht gekregen dat Dielis Geerit
Pepers aan 'den Sontveltschen Dyk' zonder
toestemming een huisje had gebouwd en
twee morgen 'van de beste heide off
gemeente' had ingenomen. Of de gemeente
er voor wilde zorgen het huisje binnen
acht dagen te verwijderen en de grond
terug te nemen, of anders uitleg wilde
geven. Zo niet, dan zou Schmeling er zelf
voor zorgen dat het huisje zou
verdwijnen.
De volgende dag ging de Veghelse vorster
(een soort veldwachter) naar Zondveld om
de brief aan Dielis voor te lezen en hem
op te dragen zijn huisje binnen acht
dagen te verwijderen. Dielis antwoordde: "Het
doet myn leet, ik sit met myn vrouw en
vyff klyne kinderen en eer ik timmerde,
soo hebbe ik in het heele dorp geen huijs
konnen krygen om te huure. Ik heb met
vrouw en ses kinderen die ik doen hadt
vier weken in een beestestal gelegen,
totdat de nabueren medelyden met my
kreegen, die selfs voor my door het
geheele dorp om een aalmoes syn gaen
vraegen om houdt en stroo te kopen en myn
hut daer hebbe helpe nedersetten met
consent van de meeste naburen, soo dat
[ik] nu met vrouw en vyff kleyne kinderen
ongelukkig ben dat het weder aff te
moeten breeken door klagten van een off
twee afgunstige nabueren, die soo min als
iemande int minste daer mede benadeelt
syn, maer sal na myn Heer den Rentmeester
gaan en bidde dat dog medelijde met een
arm man, vrouw en vyff onnosele kinderen
sal hebbe, die anders syn broodt sal
moeten gaen bidden." De regenten
van Veghel gaven dit antwoord op 4 juni
1760 door aan rentmeester Schmeling.
Hoe liep het af voor de familie Pepers?
Goed. Uit de archieven blijkt dat
dit huis toen bleef staan.
Het werd pas tussen 1808 en 1832
afgebroken.
|
|