Verklaringen afgelegd in 1800
|
R115, fol. 116v (3-2-1800) |
|
Voor “leden der municipaliteyt Veghel” verscheen Joseph
van de Mortel, inwoner van Veghel, die op verzoek van
Joost van de Ven, “preesident waarnemende ‘t officie”
een verklaring aflegt.
Hij verklaart “dat hy op
laastleden saturdag des morgens circa ten halv seeve
uuren is gekomen in syn agterhuijs, waer in hij syn
handwerk off fabriek is exercerende, bestaande in
verwerij van allerleij linnens en wollens. Dat hij
comparant als toen miste eenig swertgoed, ‘t geen hij
daags van te voren had opgespoelt en in syn voorscreven werkhuijs geset.
Dat hij vervolgens rond siende een glas
uyt het bovenste raam naast den ooste kant sag
uytgebroken, waer door waarschynlyk de (we)lve van de
binnenste beneden glasraam is afgedraaijd en als toen
daerdoor ook den grendel van het buijten venster is
afgedaan en opengemaekt, door welke raam denkelyk dieven
syn ingekomen,
en vervolgens de navolgende goederen daer
uyt gestolen, ten minste door den comparant vermist,
namentlyk: circa 22 à 24 paer swarte mans en vrouws
kousen en mofkens, 2 paar blouwe vrouwe kousen, 3 lb.
(pond) blaauw wolle gaarn, negen ellen swart gemaekt
linne laken, 2 paar blouwe beenslette, een copere ketel,
circa groot tien kannen.
En verklaert den comparant dat
hij ook dien morgen onder het glas dat uytgebroken was
buyten heeft vinden staan een tonneke, hebbende denkelyk
gedient om daer door des te gemakkelyker het venster te
kunnen inklimmen. Verder verklaert den comparant niets
dien nagt te voren gehoord off gesien te hebben en dus
niemand te kennen off te weeten welke hem comparant van
syne bovengemelde goederen heeft berooft.”
|
|
R115, fol. 118v (28-8-1800) |
|
Voor “leden der municipaliteyt Veghel” verscheen
Dorothea Dirk van Rysingen, vrouw van Adriaan Huybert
Coenen, die op verzoek van “den preesident waarnemende
’t officie alhier” een verklaring aflegt.
Zij
verklaart “dat op vaste avond dinsdag laastleden synde
den 25 februarij 1800, haare gemelde man Adriaan Huybert
Coenen, haar comparante en desselfs dogterke genaamt
Huyberdiena, bij hem verwekt, oud circa seeve jaaren,
sonder eenig afschyt te nemen als alleenlyk by het
uijtgaan van huijs gezegt dat hij na Gemert gong en
sanderen daags weerderom sou keeren, heeft verlaten,
meede nemende twee hembde van sig selfs en een van de
comparante.
Dat de comparante op vrydag daer na
na Boekel is geweest om haer man te soeke, dog niet
bevonden hebbende, daar gehoort heeft dat denselven met
de vrouw van Peter Willem van Dael, genaemt Geertruij,
aldaer woonagtig, voort en weg was, en dat hij een pas
bij van Ommeren, toen der tijd vreederegter tot Boekel,
wonende te Aarle, had genomen op naam van Peter Willem
van Dael.
Voorts verklaart de comparante na die
tijd tot heden toe niets hoe genaamt van haare
voorscreven man meer vernomen te hebben, en dus ook niet
te weeten waer hij is.”
|
|
R115, fol. 120 (23-10-1800) |
|
De “leden der municipaliteyt Veghel” verklaren op
verzoek van Rogier Jan Trimbosch, “dat denselve alhier
van wettige ouders is gebooren en bekent staet te zyn
van een braeff, eerlijk en onbesprooken gedragh sonder
oijt ter contrarie te hebben gehoord.”
|
|
R115, fol. 120v (27-10-1800) |
|
Willem Francis Colen, “medicyne doctor”, en Hendrikus
Schippers, “Meester chirurgyn, beyde practiseerende
alhier tot Veghel”, verklaren “dat wij op gisteren ter
requisitie van den preesident waarnemende ‘t officie
alhier, hebben gevisiteert en geschouwt het doode
lighaamtje genaamt Johanna, dogterke van Bartel Lambert
Leenders, leggende ten huijse van Bartel voorscreven, en
dat wij aan het selve doode lighaamtje gene uyterlyke
wonden hebben konnen ondekken, maar daer aan bevonden
dat het selve had alle tekenen van een drenkeling die
door het water is versmoord.”
|
|
R115, fol. 122 (30-11-1800) |
|
“Alsoo op den vierde november 1800 de huysinge, schuur
en schop van Hendrikus Jan van den Tillaar, gestaan
hebbende binnen deesen dorp van Veghel, op den Heuvel,
door de vlammen ten eenemaal is verbrand geworden.
En dewijl by de resolutie der voormaalige Hun Hoog
Mogende van den 14 januarij 1765 is verstaan dat door
den officier, regenten en secretaris de afgebrande
huijsinge, stallinge off schuure moeten worden
getauxeert en soodra weederom op voorige voet sullen
sijn herbouwt immers binnen twee jaaren na den brandt is
voltrokken, en den eijgenaar geen vier duijsent guldens
gegoed is, uyt de gemeenten casse eenvierde gedeelte
waar op getauxeert is, zal moeten worden voldaan.
En verklaren wij ondergetekende preesident in qualiteyt
als officier, regenten en secretaris in Veghel,
Departement van de Dommel, dat ons de voorschreven
afgebrande huysinge, schuur etcetera zeer wel bekend is
geweest en na ons naukeurig berekening waardig is
geweest eene somme van een duijsent gulden.
En
compareerd alhier meede de bovengemelde Hendrikus Jan
van den Tillaer, eygenaer van de voorscreven afgebrande
huysinge, en denselve verklaert en met heylige eede
bevestigt voor geen vier duijsend guldens off daer boven
te zyn gegoed.”
“Verders compareerde voor deselve
ondergetekende regenten Hendrikus Jan Tillaer,
declarerende dat voorscreven huysinge dit moment in ‘t
wintersaijsoen niet kan worden opgebouwt, egter vast
besloten heeft in t volgende jaar te sullen volbrengen.
Voorts Johannis Jan van den Tillaer, welke sig stelt als
borg.”
|
|