Foto's Huizen Kroniek

Verklaringen afgelegd in 1798


R115, fol. 55 (3-1-1798)

 

“Vraag articulen door den president waarnemend ‘t officie voorgestelt om daer op in preesentie van den diender municipaliteyt te hooren en te doen antwoorden van seker door de burgerwagt van het rot de Heyde heden nagt geappreehendeerd en in arrest gehouden vrouwpersoon.

1. De geapprehendeerde haar naam en ouderdom?
Deselve segt genaamt te zijn Helena van Gelder end zynde byna 23 jaer.

2. Waar desselfs geboorte plaats en woonplaats is?
Deselve segt geboortig te wesen tot Uden, Lande van Ravestyn, en dat sij sedert eenige tijd geen vaste woonplaats heeft gehad maer overal eens gaet.

3. Wat haar handteering en kostwinning is?
Deselve segt voorheen de boer gedient te hebben, dan zedert vyff maanden niet, terwijl sy toen als bijsit aant swerven en rontlooope is geraakt met seekere Albertus Zwierts, die sij nu had verlaten, met welke sy om de kost te hebben, bedelde en om aelmoese rontging.

4. Off de geappreehendeerde voorsien is van een pas?
Deselve segt van geen pas voorsien te zyn.

5. Waer ter plaatse de geappreehendeerde van deese nagt is geappreehendeert?
Deselve segt ten huijse van Tonij van Lieshout aan de Heyde op het bed leggende met gemelde Tonij van Lieshout, terwijl de vrouw van Tonij van Lieshout in de haerd sat te spinnen.

6. Off sij geappreehendeerde meermaele als eens wegens regenten is gewaarschuwt geworden zig uyt deese plaats te onthouden off te vertrekken?
Deselve segt: “Ja,” en selfs dat sij al eens door den diender is uytgeslagen en eens gewaarschuwt had.”

R115, fol. 56v (4-1-1798)   “Alsoo zeeker vreemd vrouwpersoon soo sy segt genaamd te wesen Helena van Gelder, oud synde 23 jaaren, geboortig tot Uden, lande van Ravensteijn, tussen dingsdag en woensdag snags synde geweest den 2e  - 3e January 1798 door de burgerwagt van het rot de Heijde in arrest genoomen en geapprehendeert (gevangen).

Dat de leeden der municipaliteit Veghel behoorlijke informatie ontrent de geapprehendeerde heeft bekoomen en volgende desselvs eygen bekentenis te zyn vreemdeling en zeedert eenigen tijd geen vaste woonplaets te hebben, niet voorsien te sijn van een pas zeedert vyff maanden als bysit geweest van zeekere Albertus Zwierts, waarmede zij rondswervde en om aan den kost te koomen beedelden om aalmoesen rondging, meermaalen gewaarschoud te zyn van de regeering sig van deese plaats te retivreeren, etcetera.

En want deselve geapprehendeerde (gevangene) Helena van Gelder daar van strafbaar is, soo hebben de leeden der municipaliteit Veghel voornoemd kragtens vermogens publicatien en resolutie van de repreesentanten van het volk van Bataafs Braband date 12 december 1796 en meer anderen door hoogst deselve genoomen gemelde vroupersoon Helena van Gelder gecondemneert (veroordeeld) tot confinement (opsluiting) in een tugt- of werkhuijs voor den tyd van twee jaaren om met haere handen arbeijd geduurende die tijd aldaar den kost te winnen.”

R115, fol. 62 (14-2-1798)  

“Vraag articulen door den president waarnemend ‘t officie voorgestelt om daer op in preesentie van den diender municipaliteyt te hooren en te doen antwoorden seker persoon door de burgerwagt bij het houden der generaale jagt op vagebonden en landlopers den 13 februarij geapprehendeerd (gevangen) en in arrest gehouden.

1. De geapprehendeerde syn naam en toenaam en ouderdom?
Den geapprehendeerde segt genaamt te weesen Huijbert Pennings, off Huybert Pieters, tusssen 34 en 35 jaeren oud.

2. Waar desselfs geboorteplaats en woonplaats is?
Den geapprehendeerde segt geboortig en woonagtig te zijn tot Gemert.

3. Wat syn handteering en kostwinning is?
Den geapprehendeerde segt een wever te zyn.

4. Off den geapprehendeerde voorsien is van een pas?
Den geapprehendeerde vertoont een pas van Gemert dato 15 decembeer 1796, getekent door W. Corstens, schepen.

5. Bij wie hij geapprehendeerde was off waer en op wat wijse hem de wagt heeft geapprehendeert en opgebragt?
Den geapprehendeerde segt tusschen den 12 en 13 snags geslapen te hebben in het eerste huys onder Veghel komende van den Vorstenbosse dijk, alwaar hem de wagt daer komende des smorgens den 13 deser opgebragt heeft.

6. Waar hij van te vooren vandaan was gekomen en wat hij daar gedaan heeft, en waar na toe hij dagt te gaan?
Den geapprehendeerde segt van Vorstenbosch te syn gekomen en dat daar bij een schepen aan geen seyde de capel had geeweest en gesegt: “Ik sal maer eens gaan,” Waerop den gemelden schepen hen geapprehendeerde seyde: “Den diender is niet te kwaad,” en dat hij hem het grootste leet niet doen sou, en wou dat hij den oude diender wederom Had. Dat den geapprehendeerde van een soopje jenever van den scheepen voornoemt te hebben gekregen uyt huijs is gegaan, vragende onderwegen in de huijsen een aalmoes, ‘t sij vlas, brood off een duijt, totdat hij is gekomen ter plaatse als in articul 5 heeft beantwoord. Vervolgens segt hij geappreehendeerde voornemens te zyn geweest weder direct na Gemert te gaan, van waer hij maandag den 12 deeses des smorgens ten negen uuren was vertrokken.”

R115, fol. 64 (14-2-1798)  

“Vraag articulen door den president waarnemende ‘t officie voorgesteld om daer pop in preesentie van de leden der municipaliteyt te horen en te doen antwoorden seker vrouwspersoon en kind door de burgerwagt bij het houden van der generaele jagt op vagebonden en landlopers den 13 februarij 1798 geapprehendeert en in arrest gehouden.

1. De geapprehendeerde haar naam en toenaam en ouderdon als meede hoe oud het kind is?
Deselve segt te zyn Marysyn Theresia Asij, oud ontrent 32 jaaren, en haar kind circa drie à vier maanden.

2. Waar desselfs geboorte plaats en woonplaats is?
Zegt geboortig te weesen tot Luijk, geen woonplaats te hebben, maar rontswervende.

3. Wat haar kostinning is?
Deselve segt beedelende den kost moeten soeken.

4. Off sij gehuwt is?
Deselve segt: “Ja”, en dat haar man genaemt is Joseph Ponijdoren, dragonder onder het regiment Bataafs, tweede compagnie, in garnisoen (seggende niet beeter te weeten) tot Zutphen. Dog dat gemelde haare man by het regiment als jongman te boek staet en dus aldaer niet anders weeten dan dat hij niet getrouwt is.

5. Off sij voorsien is van een pas?
Deselve segt: “Neen”.

6. Hoe en waer sij geapprehendeert is geworden?
Deselve segt door de wagt te zyn gevat by off ontrent de weg lopende na Erp.

7. Off sy alleenlyk hier te lande is en off sij geen manspersoonen bij haar had?
Deselve segt dat sij vant land van Luijk aff komende, altoos bij haar is geweest een manspersoon synde haar neev genaamt Joseph Asij.

8. Soo ja, waar die syn gebleeven?
Deselve segt dat de wagt circa een uur van te voren dat sij geapprehendeert is, gekomen was toen tsij nog bij elkanderen waren en dat den voorscreven Joseph Asij daar voor weg liep, op welk weglopen de geappreheehendeerde aan gemelde Joseph Asij toeriep dat hij wagten sou, dog dat hij sulx niet deede en dus niets meer van hem weet.

9. Wat sij geapprehendeerde hier ter plaatse heeft gedaan?
Deselve segt met gemelde Joseph Asij eenige huijse te hebben afgeweest en om eem aalmoes gevraagt.

10. Waar haer bij hebbend kind geboren is?
Deselve segt dat haar kind geboren is int Ginneken bij Breda en daar gedoopt.”

R115, fol. 66 (15-2-1798)

    Voor “leden der municipaliteyt Veghel” verschenen Gregorius Merkelenbag, oud ongever 36 jaren, en Jan van Beers, oud ontrent 27 jaren, beiden wonende in Veghel, “staande ter goede naam en faam”, die op verzoek van “den preesident waarnemende ‘t officie alhier” verklaren, “dat sij op sinsdag den dertiende deeser ontrent seeve à agt uuren des smorgens hebben sien gaan bedelen en om een aalmoes vragen een vrouwspersoon met een kind, synde deselfde die op die dag door een van de burgerwagten bij het gaan der generaele jagt op vagebonden alhier is opgebragt en thans nog in arrest en bewaring ons wel bekend na haar wel beschouwt te hebben.”

R115, fol. 66v (16-2-1798)  

“Gesien hebbende bij de leden der municipaliteyt Veghel de remonstrantie met annexe bewijsen overgegeven door en wegens den preesident waarnemende ‘t officie waer bij te kennen geeft dat seeker vrouwspersoon met een klyn kind van circa drie maanden oud bij het houden der generaele jagt op gaauwdieve en vagebonden op dinsdag den dertiende deeser door de burgerwagt was opgebragt en vervolgens gearresteert, sig noemende Marisyn Theresia Asij, voorgevende van Luijk geboortig te syn, vagebonderend met seekere Joseph Asij, sonder pas voorsien en met beedelen den kost bekwam.

Versoekende dat regt gedaan wierd in naam vant Bataafse volk en deselve condemneren na de wetten van den lande. Soo ist dat de leden der municiapaliteyt voorscreven regt doet in naame als voorscreven kragtens en vermogens publicatie en resolutie van de Repreesentanten van het volk van Bataafs Braband dato twaelff december 1799 sesentnegentigh en meer andere door hoogst deselve genomen.

Condemneeren gemelde vrouwspersoon sig noemende Marisyn Theresia Asij vom voor den tijd van twee jaeren geconfineert te worden in een tugt- off werkhuijs om met haarer handen arbeyts geduurende die tijd aldaar den cost te winnen.”

R115, fol. 67v (22-3-1798)   Voor de “leeden der municipaliteit van Veghel” verschenen Jacob Jacot, Cornelis van den Elsen, Hendrik Voets, Jacobus Tijsse Tillaar, Godefridus Frankevoort, en Arnoldus Tomas Donkers, allen inwoners van Veghel, om op verzoek van het “hoog officie” in Den Bosch een verklaring af te leggen.

Zij verklaren “zeeker geapprehendeert (gevangen genomen) persoon, alhier in de wandeling genaamt Johannes Leen Lijssen, bewaard te hebben op order van regenten deeser plaats in de oude raadcamer alhier, laastleede zaturdag avond den 17e deezer loopende maand maart tot des anderen dag smorgens zijnde gepasseerde zondag.

Dat gemelde Johannes Leen Lijssen des snagts ontrent twaald à een uur strooij vroeg om op te leggen ‘t welk hem door den 2e comparant (Cornelis van den Elsen) wierd besorgd, waar op den geapprehendeerde van tijd tot tijd ging liggen, en dan weeder op stond, somwijlen door de wagt ging, ‘t geen hem wierd toegelaaten, mits den selve gevleugelt (geboeid) was, dog meestal bij het vuur zat.

De geapprehendeerde des ‘s morgens bij het aanbreeken van den dag weeder op ‘t strooij was gaan leggen, terwijl de comparanten alle bij het vuur met elkanderen zaten.

En verklaren de twee eerste comparanten (Jacob Jacot en Cornelis van den Elsen) afsonderlijk dat den geapprehendeerde eensklaps zeer schielijk en onverwagt met een snelle vlugt na de andere seijde der oude raadcamer vloog, daar de geweeren van den comparanten ter needer waren geset, den eerste comparant (Jacob Jacot) dit meede dadelijk ziende sprong over een der banken welke voor het vuur stonden, na den geapprehendeerde toe, niet schieliijk genoeg sijnde om den geapprahendeerde (die sig had weten los te krijgen) het gebruijk der geweeren te kunnen beletten, nam hy geapprehendeerde een snaphaan die zoo als aan de comparanten verseekert is met een swaare scheut gemeten hagel gelaaden was, en dat geweer op den eerste comparant aanleijde, dog niet teegenstaande dit, den eerste comparant eevenwel teegen dat geweer inliep en den geapprehendeerde soo digt op het lyf kwam en struijkelende vallende voor den geapprehendeerde needer, wanneer hij geapprehendeerde met dat geweer den eerste comparant sloeg, soo dat het geweer in stukken ging.

Den eerste comparant (Jacob Jacot) vervolgens weeder opgekoomen sijnde den geapprehendeerde bij de haire greep en teegens de muur vasthield, den geapprehendeerde alsoo het geweer kwijt geraakt zijnde den tweede comparant (Cornelis van den Elsen) is toegesprongen en den geapprehendeerde ook aangreep, dog den geapprehendeerde nog niet wel kunnende meester worden, vervolgens meede den 4 en 5e comparanten (Jacobus Tijsse Tillaar en Godefridus Frankevoort) tot hulp gekoomen zyn, met zeer veel moeijten den eersten comparant los kreegen die door den geapprehend(eer)de met de hairen wierd vast gehouden, waar op den eerste comparant den geapprehendeerde de touw daar hij meede gebonden was geweest, om de keel sloeg en alsoo den geapprehendeerde meester geworden zijnde, welk toen direct aen den eerste comparant (Jacob Jacot) om vergiffenis vroeg, zeggende een kranke zin gehad te hebben, en daar op denzelve handen en voeten gebonden en alsoo tot smorgens bewaard.

En verklaard den derde comparant (Hendrik Voets) het slaan met het geweer op den eerste comparant (Jacob Jacot) door den geapprehendeerde gesien te hebben en vervolgens toegeloopen en de andere geholpen.

Verders verklaaren de vierde en vyffde comparanten Jacobus Tijsse Tillaar en Godefridus Frankevoort) dat sij slaaperig geweest zijn, off ten minsten sluijmerende waaren, verbaast over het geval, dat sij voor ogen sagen, dog hadde niet gesien vant vatte van ‘t geweer off diergelijke voor en aleer zij de eerste en tweede comparanten (Jacob Jacot en Cornelis van den Elsen) met den geapprehendeerde besig sagen, waar na sij ook syn gekoomen en haar geholpen hebben.

En verklaart den zesde comparant (Arnoldus Tomas Donkers) dat hij nieuwschierig synde in de wagt was gekoomen, dat den gemelde geapprehendeerde als voor bewaart wierd, en ging sitten naast den geapprehendeerde. Dat den geapprehendeerde, met naeme Johannes Leen Lijsse, aan hem comparant vroeg: “Heb je niet een mes in de sak?” Dat den comparant daar op antwoorden: “Wat zeg je?” Waar op gemelde geapprehendeerde ‘t selvde nog eens vroeg, en daar op direct sonder meer woordenwissling gehouden te hebben met den geappprehendeerde, hij comparant opstond en uijt de wagt ging.”

R115, fol. 69 (25-3-1798)   “De ondergeteekende leeden der municipaliteit Veghel verklaaren bij deese ter instantie en requisitie vant Hoog officie der Stad en Meijerije van den Bosch dat seekere persoen Johannes Leen Lyssen, tans gevangen zittende ter stads gevange Poorte in den Bosch, alhier altoos heeft genaamd geweest in de wandeling Johannes Leen Lijssen, dog sij ook wel gehoord hebben dat hij genaamt sou sijn Johannes Mighiels, en ook dat sij sulx hebben ontwaar geworden door zeeker kerk extract van Neerglabbeek door den gedetineerde aan deese municipaliteit overgegeven, welk hier bij aant Hoog officie word ter hand gestelt, beneevens zijn doop extract van deesen dorpe.”

R115, fol. 70 (30-3-1798)   Voor “leeden der municipaliteit Veghel” verscheen Johannes Waggelmans, inwoner van Veghel, “staande ter goeder naam en faam”, om op verzoek van “den President waarnemende ‘t officie alhier” een beëdigde verklaring af te leggen.

Hij verklaart “dat laastleede sondag avond synde geweest den 25 maart tussen circa agt à negen uuren, comende den comparant van Schyndel na herwaarts onderwegen sijnde op het soogenaamde Eerds padje of dijkje, ongeveer op de helft leggende tussen het Eerd en Veghel.

Dat hij circa een schoot ver van sig aan sag komen een persoon hebbende aan een blaauwe keel en van ter seijde op het broek naast den Schijndelsen sijk meede een persoon, ook aan hebbende een blaauwe keel.

Dat den comparant zyn weg vervolgde, den eerste persoon soodra hij bij hem comparant was, hem comparant met syne eenen hand bij de borst vattende, en met de andere hand hem comparant een mes op sijn hard setten, seggende: “Geeft alles af wat je hebt, en verroert uw niet, of ik sal u kapot maaken.”

Dat den comparant toen toesprong en die persoon een dou op de borst gaf, waar door zij beijde met elkanderen in den sloot vielen, alsoo die persoonen onder het vallen hem comparant greep, staande dus met haar beyde in den sloot teegenover elkanderen.

Dat doen direct den tweede persoon, welke hij comparant van ter seijde had sien aankomen er bij quam, syn mes ook trekkende hem comparant verscheijde sneede door sijn kamisool, rok en hoed, en ook in het hooft kreeg.

Dat den comparant toen van den tweede persoon met sijn arm wierd vastgebonden en den eerste persoon het mes weer op de borst setten en seijde: “Geef af.” Dat den comparant daar op seijde: “Neem maar af wat ik heb en laat mij dan los.” Waerop den tweede persoon hem uijt sijn sak haalde neege gulden twee stuijvers, sijn mes en zijn pijp met het pijpedopje, waar op den gemelde persoonen hem comparant verlieten en neemende haaren weg door ‘t broek op ‘t Schyndels gat.

Eyndelyk verklaart den comparant de persoonen niet te kennen, mits hy comparant soo ontstelt was en de persoonen beijde haaare hoeden neerslaande na beneeden in de oogen hielden, dog dat hij comparant wel hoorde dat sij haar spraak veranderde ende taal gelijk was aan een inlander, of soo als hier in ‘t gemeen gesprooken word.”

R115, fol. 71 (2-4-1798)   Voor “leden der municipaliteyt Veghel” verscheen Peter van de Meeracker, inwoner van Sint-Oedenrode, en Antonij Paulus Smits, “wonende voorheen in ‘t Wybos tot Schyndel”, die op verzoek van het “Hoog officie” in Den Bosch een verklaring afleggen.

Peter van de Meeracker verklaart “dat hij namens syne moeder, Alegonda, weduwe Peter van de Meeracker, waar hij bij woont, in de maand september laastleden aan hem tweede comparant (Antonij Paulus Smits) heeft verkogt elff biestokken onder welke elff biestokken twee biestokken zyn, na desselfs gedagte, die hij heden is versogt tot Veghel te komen sien, kennende deselve aan een teken ‘t geen in een van die biestokken door den comparant was gestoken, namentlyk een rontje met swart potlood met de letter P., welke op de selfde plaats nog stak waer hij comparant het altoos gewoon was te steeken.

En verklaart den tweede comparant (Antonij Paulus Smits) dat de bovengemelde biestokken syn bedunkens de selfde zijn die hij van den eerste comparant gekogt heeft, en welke hem in de maand november laastleden op een nagt syn ontvreemd geworden, en soo naderhand had horen seggen, dat Johannes Leen Leysse die gestolen had.”

R115, fol. 71v (2-3-1798)  

Die “leden der municipaliteyt Veghel” verklaren op veroek van de hoogschout van Den Bosch “dat seekere persoon sig noemende Aelbert Zwierts alhier sedert eenige tijd circa twee maanden heeft opgehouden bij Adriaan Huybert Coenen aan de Leest, sonder dat de regering hem oyt permissie van inwooning heeft vergunt.

Dat hij wel daar om gevraagt heeft, dat de leden voorscreven al lang hem souden hebben doen off laten aanseggen om te vertrekken, teerwijl de algemeene roep is dat denselve een slegt gedragh heeft. Dan tot die aansegging altoos huijverig synde geweest om redenen personaliter met op d’een off ander manier van hem brutael off ongelukkig gemaakt te worden.

Dat sedert die tijd gemelde Aelbert Zwierts hier heeft geweest, men denselve altoos met een geweer langs straat en op de weegen siet gaan, hebbende dikwils een groote hond bij sig, die men seyd een van de brutaalste diere is dat in haar soord gevonden word.

Dat denselve volgens ene raport een uytlander is en tot in den lande van Ravestyn dienaar der jsutitie geweest en daar sedert ruym een jaer om syn sleg gedragh afgeset, an die tijd rontswervende geweest volgens bekentenis van en met sekere vrouwspersoon Helena van Gelder, die op den vierde januarij door de leden deser municipaliteyt ingevolge publicatie van de toenmalige repreesentanten van ‘t volk van Bataafs Braband voor twee jaaren in een tugt off werkhuijs was gecondemneerd.

Dat den gemelde Aelbert Swierts voor eenige jaeren getrouwt is met Meghel Paulus Vervoort, van hier geboortig, welke hij lange jaere had verlaten, dog nu zedert die tijd dat het gemelde vrouwspersoon Helena van Gelder weg is, weder bij sijn vrouw gebleeven, welke vrouw eeven voir dat het gemelde vrouwspersoon Helena van Gelder was gevat, een erffenis had bekomen van circa 150 guldens.

Dat de ondergetekende leden bekent is en verscheydene reijse hebben vernomen dat gemelde Swierts alhier zig ophoud bij gemelde syne huys (van) Adriaan Huybert Coenen (welke meede al dikwyls ook met een snaphaan en hond rond loopt en samen schynen goede vrinde te zyn) aan en ontrent die seyde van de Leest, menigmael particuliere ingesetenen als andere syn aangerand, gekwest en ontrooft geworden ‘t geen sij by sog hadde, schoon dat leden voorscreven niet hebben kunnen ontdekken dat sulx door haer soude syn geschiet, egter ‘t selve suspect (verdacht) voorkomt.”

R115, fol 72v (3-4-1798)   Op 22 januari 1798 vond in 's-Gravenhage een staatsgreep plaats door radicale patriotten onder leiding van een van de Brabantse afgevaardigden in de Nationale Vergadering, Pieter Vreede. Op 4 mei 1798 werd een nieuwe grondwet ingevoerd. In deze grondwet werd een scheiding gemaakt tussen de wetgevende, de uitvoerende en de rechterlijke macht. Er kwam vrijheid van godsdienst. De regering van de Republiek werd voorlopig in handen gelegd van een Intermediair Uitvoerend Bewind, bestaande uit vijf directeuren, onder wie Pieter Vreede. Na de staatsgreep werd een aantal plaatselijke besturen gezuiverd. Zo werd in Veghel president Gerrit van Roij begin april 1798 uit zijn functie ontzet.

Verschenen voor de “leden der municipaliteit Veghel” Leendert Donkers en Dirk van Lith, inwoners van Veghel, die op verzoek van “den burger” Gerrit van Roij, inwoner van Veghel, onder ede een verklaring afleggen.

Leendert Donkers verklaart “dat op desen selven dag der reorganisatie van den regeering alhier, den eerste comparant (Leendert Donkers) zat ten huijse van Jan van Zutphen, waar onder andere in kwam den docter W. T. Coolen, agent ter reorganisatie van de municipaliteiten.

Dat den comparant met gemelde Coolen in gesprek was geraakt en wel over het  organiseeren van de leeden deeses municipaliteit en onder andere seijde den eerste comparant teegens gemelde Coolen dat hij comparant zeer verwondert was dat den burger Gerrit van Roij uijt de regeering was geraakt. Dat daar op den gemelde agent Coolen antwoorde: “Ik heb aan mijn speciaale eedt voldaan, en moet weeten wat ik te doen had.” Waar op den eerste comparant seyde: “Dan valt er niets teegen te seggen”, en ook: “Het raakt mij niet.”

En veklaart den tweede comparant (Dirk van Lith) dat op sondag of maandag synde geweest den 25ste of 26ste der gepasseerde maand maart deeses jaars, den tweede comparant zittende in de herberge bij Hendriena van den Bogaart met de kaart te speelen.

Dat toen daar bij kwam staan den doctoe W. T. Coolen, agent ter reorganisatie van de municiapaliteiten, dat in dat geselschap wierd gesprooken ontrent het reorganiseeren van de municipaliteit alhier, dat den tweede comparant aan gemelde Colen seijde in diergelijke substantie, dat hij comparant verwondert was dat Van Roij afgeset was, waarop gemelde Colen antwoorden: “Ik heb bijsondere instructie of last die ik aan niemand behoef te laaten zien,” en den comparant toen verder heeft stil geseeten en syn kaart speelen vervolgt.”

R115, fol. 73v (4-4-1798)   Voor “leden der municipaliteyt Veghel” verschenen Hendrikus Antonij van de Ven, Lambert Verhoeven, en Jan Janse van der Heyde, allen inwoners van Veghel, die op verzoek van “den burger” Gerrit van Roij een verklaring afleggen.

Zij verklaren dat zij “meenigmaal met den gem(elde) burger Gerrit van Roij sedert drie à vier jaaren herwaerts en ook jaars van te vooren over de omstandigheden van slands saeken conversatie in ‘t particulier en publiequelyk hebben gehad en gesproken.

Dat de comparanten noijt anders dan altoos wanneer daer over gehandelt wierd in haer preesentie heeft geuijt dan gelyk een waare vaderlander behoord te doen en voor al verklaeren deselve dat sij in die gesprekken en conversatie hem requirant hebben geouden en houden voor die geene die de tegenwoordige orde van saeke is toegedaan.”

R115, fol. 75 (23-5-1798)   Voor “leden der municipaliteyt Veghel” verscheen “Hendrica Voorthuijs, weduwe van Lodewijk Carel van Dijk, wonende alhier, verklaart by deese consent te geven aan haere dogter Johanna, woonende te Amsterdam, om een wettig houwelijk aan te gaan met B. C. van Ranswijk, meede aldaer woonagtig.”

R115, fol. 75v (31-5-1798)   Voor “leden der municipaliteyt Veghel” verschenen Eymbert van Nieuwland, wonende te Roosmalen, Hendrik van Nieuwland, wonende te Geffen, en Willen van Enhorn, wonende te Uden.

Ze verzoeken “dat de leden deeser municipaliteyt gelieve te arresteeren en in smine bewaring te houden een seeker persoon met twee paerden, voorgevende van den Dorse Waert te komen, welke haarer vermoeding is dat soodanige paarden gestolen paerden zyn.

Gelovende binnen tijd van drie maal vier en twintig uure verder en nader rapport te sullen doen, guarandeerende voor alle arestte in deese soude moeten geschieden op verbant van haare persoonen en goederen present en toekomende.”

R115, fol. 7 (31-5-1798)  

“Vraag articulen voorgehouden door den preesident waarnemende ‘t officie aan seker onbekent gearresteerd persoon, door Eymbert van Nieuwland, Hendrik van Nieuwland, en Willem van Enhorn volgens acte heden door deselve voor de municipaliteyt gepasseert ten eynde den gearresteerde daer op sal antwoorden.

1. Den gearresteerde syn naam, ouderdom en woonplaats?
Denselve segt genaemt te zyn Hermanus Dousyn, oud circa 23 jaaren, wonende in de Dorse Waert, beseyde Nieuwegen.

2. Wat handteering hij doet?
Denselve segt een paerde koopman en boerenwerk te doen en anders niet.

3. Waar hij heden vandaan is gekomen?
Denselve segt heden nagt hier te hebben geslapen ten huyse van Jan van Zutphen.

4. Wat hij bij sig heeft en vooral paerden, hoe die van hair syn en waer hij sie gekreegen heeft, off van wie gekogt?
Denselve segt bij sig te hebben twee paerden, het eene een jong swart, oud circa twee jaaren, en het tweede bruyn van hair, circa seeve à agt jaaren oud. Het eerste gekogt te Nieuwegein in de Boterstraet bij eenen Hospes die hij niet en kend en het tweede tot Waardenbugh op de markt die geweest is gisteren den 30ste deser, dog weet niet van wie, als dat hij seyde van Gorkom kwam. Dat hij gisteren ontrent elff uuren van Waardenburgh waas afgereeden, vervolgens syn weg over ‘t Huijlen de Wael over en de Maas ook, dog dit laaste niet te weeten hoe die plaats genaemt is, na Den Bosch nergens aan geweest, vervolgens op Heeswijk, daer een pind bier genomen en soo dien avond circa ten 6 uuren hier aangekomen bij Jan van Zutphen, waar hij het eeerstgenoemd jong paerd op pinxteren sondag had gebragt en welk tot heden daar gestaan had.

5. Off hij gearresteerde die paerde vandaag heeft te koop gepreesenteert aen Hendrik van Nieuwland.
Denselve segt dat hij de bovengenoemde heeft te coop gepreesenteert, dog kent de personen niet.

R115, fol. 78v (2-6-17958)   Voor “leden der municipaliteyt Veghel” verscheen Peter van Luttervelt, wonende te Maurik, die aan “den president waarnemende ‘t officie” onder ede een verklaring aflegt.

Hij verklaart “dat verscheyde syner paerden in syne gehuurde weyde genaamt de Apkouen Ackers, gelegen int Maurikse velt, ordinairs heeft los lopen om te weijen. Dat onder andere ook een paerd bruyn van hair, hebbende een blaauw oog van de twee en oud circa 7 à 8 jaaren om die reden op die weij had gedaan.

Dat den comparant tussen laastleden dinsdag en woensdag nags dat paerd uyt die weyde heeft vermist. Dat hij sulx heeft bekent gemaakt selds aan den rigter N. H. van Geytenbeek.

Eyndelyk dat den comparant onderrigt is geworden dat een seker persoon met twee paarden alhier op de markt laalstleden synde donderdag den 31 meij was gearresteert geworden op presumptie dat het gestolen paarde waren, gelyk dan ook den comparant daer op heden hier komende verklaart een van die gearresteerde paarden het bovengemelde paart syn eyge te weesen en dat selfde dat ten teyde boven gemeld uyt de weyde vermist is, en dat selfde paert weder eygent en na hem neemd.”

R115, fol. 79v (11-6-1798)   Voor “leden der municipaliteyt Veghel” verscheen Cornelis van ‘t Schip, “ongehuwd soon van Jennetje, eerst wedue Steeve van ‘t Schip, en laast wedue van Gysbert Versteeg, met syn voorn(oemde) moeder, wonende op de Boereplaats van den Burger Ort van Nieuweroorde in Breukelen boven Utrecht, die “aan handen van den president waarnemende ‘t officie” onder ede een verklaring aflegt.

Hij verklaart dat hij “tussen donderdag en vrijdag, synde geweest den 24 en 25ste maij laastleden des nags syn paard, synde een swarte merrie, oud ruijm twee jaeren, redelijke swaare staart en kuijff, een weynige kromme neus, van de voornoemde Boereplaats op de weyde heeft vermist.

Dat den comparant tot kennis is gekomen dat alhier soodanig paerd stond. Soo als den comparant verklaert dit alhier te hebben hevonden ten hjijse van den president en in arrest synde, en dat hij hier gehoord heeft al reets zedert laastleden marktdag synde geweest den 31 maij laastleden, gearresteert met een seker peroon die het op de markt te koop had gepreesenteert.”

R115, fol. 81v (26-6-1798)   Voor “leden der municipaliteyt Veghel” verscheen Hendrica Voorthuys, weduwe vanLodewijk Carel van Dyk, wonende in Veghel. Zij verklaart toestemming te geven aan haar zoon Johannis, “luijtenant in het eerste battiljon van de vyffde halve brigade in garnisoen tot Campen, om een wettig houwelyk aan te gaan met Geertruyde Cruseman, wonende tot Campen.”

R115, fol. 83 (20-7-1798)  

“Ingekomen de navolgende missive gecommuniceert door den preesident waarnemende ‘t officie aan de municipaliteyt, heden den 20sten julij 1798.”

Vrijheid          Gelijkheid.
Gemert, 2 Term(..), 6 jaer der Fr(ansche) Rep(ublieq).
Van Ommeren, vredensregter van ‘t cantoor Gemert.

Aan den Preesident van Vechel.

Burger,

Deese nagt is Aelbertus Swiers alhier ontvlugt en aangesien denselve in Vechel gewoond off sig laast opgehouden heeft, dient dit tot uw narigt in haast.

Groet en vrindschap.

Was getekent: H. van Ommeren.

Lager stond: P.S. persoon en syn gestelte is aan uw wel bekent, dus onnodig daer van iets op te geven.

Gereserveert: alsoo het denkelyk is dat daer  den in missive aangehaalde persoon sig voor syn laaste apprehensie alhier heeft opgehouden wederom na deese plaats sal begeven, en de hoofdofficie der stad en Meijerije van Den Bosch reets voor lange aan de municipaliteyt order had gegeven die te appreehendeeren (gevangen te nemen), heden nagt syne geweese verblyffplaats en daar omstreeks te besetten, visiteeren, en hem bindende in naam van ‘t officie voorscreven, des noods met geweld te arresteeren. Sullende den preesident versorgen en onder syn directie nemen de daer toe nodige en vertrouwde manschappen.”

R115, fol. 84 (24-7-1798)  

Voor “leden der municipaliteyt Veghel” verschenen 1) Jacob Jacot, 2) Jan Gerbrandts, 3) Johannis Craenen, 4) Hendrikus van Gestel, 5) Jan Hendrik van Bogaert, 6) Peter van Ham, 7) Marte van Valderen, 8) Rut Pijnappels, 9) Roeloff Schippers, en 10) Jan van Beers, allen inwoners van Veghel. “ter goeder naam en faam staande”, om op verzoek van het “Hoog officie” in Den Bosch een verklaring af te leggen.

“En verklarende de eerste comparanten uyt ende van den preesident der municipaliteit alhier op laastleeden vrijdag tegen den avond sijn ontboden geworden, den selven was gisteren, ten eynde zeker persoon genaamt Albertus Zwierts dien nagt was ‘t mogelijk te apprehenderen desnoods met geweld.

Dat als toen dien nagt circa elf uuren de vier eerst gemelde comparanten (Jacob Jacot, Jan Gerbrandts, Johannis Craenen, en Hendrikus van Gestel) met bijsijn van president en 2 leden der municipaliteit de geweesen verblyflplaats van gem(elde) Zwierts hebben afgesogt benevens de velden daar omstreeks en welk laaste de vier eerste comparanten met den president en 2 leeden van de municipaliteyt, vermits groote preesumptie (verdenking) kreegen dat hij sig daar ophoudende, dan alles int maskere, synde de eerste comparanten met den preesident en twee leden der municipaliteyt weder na haare huysinge gegaan.

Vervolgens verklaaren de gesamentlyke comparanten des anderendaags smorgens tussen 9 en 10 uuren op order en bijsijn van den president en leede voorscreven de velden daar de vier eerste comparanten dien nagt van te vooren weetende hadde gekreegen dat gemelde Albertus Zwierts sig ophielt zoo veel mogelijk omset en doorsogt, soo dat eyndelyk in die velden gemelde Albertus Zwierts het eerste ontdekt wierd door den vierde en zevende comparanten (Hendrikus van Gestel en Marte van Valderen).

Welke twee comparanten verklaaren soodra sij Albertus Zwierts kende worden, denselve sig aanstonds op den loop en vlugt begaf. Schietende den vierde comnparant (Hendrikus van Gestel) met twee scheuten na hem ten eijnde hij soude staan, dog niets helpende sprong in de heg en geraakte uyt haar gesigt.

Vervolgens heeft den 10 comparant, Jan van Beers, staande bij Johannes Jan van den Tillaar, lit der municipaliteit gemelde Albertus Zwierts op hem aankomen loopen, springende in de sloot, niet weetende of hij toen in de sloot of daar bij staande rog bleef.

En verklaert den derde comparant, Johannes Craenen, den gemelde Albertus Zwierts toen in den rog zag zitten op handen en voeten, welke teegen gemelde Albertus Zwierts zeyde: “Staa keerel, of ik schiet uw overhoopt," op welke gesegde Albertus Zwierts opsprong en wegliep, schietende toen den conmparant met syn geweer na den vlugtende Zwierts voorscreven.

Den 5 comparant, Hendrik van den Bogaart, verklaart dat toen hij dien laaste schot hoorde, hy dirtect toe sprong en siende Zwierts vlugtende loopen, riep den selven toe: “Sta,” dog sulx niet doende na hem schoot en waarop direct nog een schot van een ander volgde hem naloopende vervolgende Zwierts, dog kon hem niet krygen, trekkende hij Albert Zwierts onder het loopen zijn rok en camisool zeer schielijk uijt en wierp se weg totdat hij eyndelyk uijt syn gesigt raakte.

En verklaard den zevende comparant, Marten van Valderen, dat een wijl na dat den laaste schoot gedaan was, hij als toen op den weg staande gemelde Albertus Zwierts zag komen aanloopen tussen huysinge van Jan van Hooft ende woonhuijsinge van Antonij Callars tot ongeveer 14 passen van hem comparant.

Dat den comparant toen teegen Zwierts riep: “Sta,” en het geweer op hem houdende, waar op hy Zwierts terug liep achter het woonhuijs van Antony Kallars dat den comparant een moment daarna gemelde Zwierts sag in het woonhuijs van Antonij Kallars voor een open gat waar comparant voorstond en en keerende gemelde Zwierts om daar niet door te komen, roepende tegen de verdere comparanten: “Omset het huijs.”

Verklaarende den agste comparant Rut Pijnappels dat hij toen gesien heeft dat den preesident gemelde Zwierts aan de agterdeur van voorscreven huijsinge daer meergemelde Albert Zwierts soo het scheen meende door te koomen bij de borst greep en dat den preesident seyde: “Geeft uw gevangen,” ‘t geen gemelde Zwierts ook deede, nadat hij eerst nog een sprong deed, denkelijk om het nog te ontkoomen.

En verklaaren den 1e, 2e, 4e en 6e comparanten (Jacob Jacot, Jan Gerbrandts, Hendrikus van Gestel en Peter van Ham) dat sy gemelde Zwierts hebben hooren seggen dat als hij hey eerder bedagt had, hij hier niet sou gekoomen hebbe, maar dat hij het Pruysis sou hebben ingegaan. Waar op een zeker burger, Francis van der Jeugt, aan gemelde Zwierts antwoorde: “Daar sou ik het beeter opgehouden hebben.” Seggende toen gemelde Zwierts, dat hij daar nog niet wel durfde te koomen, om reedenen hij een Pruysis deserteur was.

Eyndelyk verklaaren all de comparanten gezamentyk gemelde geapprehendeerde Zwierts te hebben gebragt in de raadkamer tot Veghel, uytgenomen den 7e en 10e comparant (Marte van Valderen en Jan van Beers).”

R115, fol. 86 (24-7-1798)   Voor “leden der municipaliteyt Veghel” verschenen Jan van Duynhoven en zijn vrouw Maria Antonij van Dijk, wonende in Veghel, “beyde staande ter goeder naam en faam”, die op het verzoek van het “Hoog officie” in Den Bosch een verklaring afleggen.

Zij verklaren dat zij in 1797 “zyn ingehuijst in een seeker kamer van een huijsje staande alhier over de Brugge, genaamt in de Bruggen. Dat de comparanten aldaar zedert dien tijd hebben gewoond tot vyff dagen voor pinxteren in deese jaare [1798].

Dat in gemelde huijsje naast des comparanten woning woonde seekere Adriaan Huybert Coenen met syn huysgesin. Dat hij gemelde Adriaen Huybert Coene in dat jaar dat de comparant daar woonde eerst bij denselven is in de kost gekomen Meghel Paulus Vervoort, huijsvrouw van sekere Aalbertus Swierts.

Dat van tijd tot tijd sedert dat gemelde Meghel Paulus Vervoort daar was ook kwam gemelde Albertus Swierts, welke int begin van dat jaar daer sig byna alle daegen heeft opgehouden en wel so lang tot de comparanten syn verhuijst. Dat sij comparanten dus alsoo buurluijden waren en ocasie hebben gehad hem Albertus Swierts wel te kennen.

Verklarende dus de comparanten dat gemelde Albertus Swierts was een seer brutaal mensch, gaande off komende selde off oyt dan gewapent met geweer en ond, en dat de comparanten enkel en alleenlyk uijt hoofde van syn brutaal gedrag en schrik voor denselven haare wooning vyff dagen voor pinxteren van dit jaar hebben moeten verlaten.

Dat het gebeurt is dat gemelde Albertus Swierts in off omstreeks de maand maert laastleden op seekere avond ontrent tien uuren, den comparanten in haare woning synde, op de voor en agterdeur kwam stoten, schynende met geweld daer in te willen syn, drijgende en zeggende onder vloeken en raasen den eerste comparant harstig dood te schieten wanneer hij buijten off op ‘t land kwam, sonder dat sij comparanten wisten hem eenigsints beledigt te hebben.

En veklaart de tweede comparant (Maria Antonij van Dijk) afsonderlyk dat het gebeurt is op dinsdag den 22 meij 1798, synde vyff dagen voor pinxteren, terwijl de eerste comparant (haar man Jan van Duynhoven) niet thuys was, sy tweede comparante uyt hoofde van wederom nieuwe brutaale bejeginge door gem(elde) Albertus Swierts haar aangedaan, geresolveert was met haare kinderenhaar woning te verlaten.

Dat by het vertrekken telkens wanneer de tweede comparantte iets van haare goederen uyt haar woning haalde met een bijl in de hand voor haer kwam sraan, seggende telkens “Canalla nu, vertrek gij,” hebbende altoos syn groote hond naast sig.

En toen de tweede comparante het laaste meubel uyt haer woning bragt, ging hij Albertus Swierts haer na met den hond en histe die op de tweede comparante aanviel en den heele rok van haer lyff scheurde en terwijl syn hond daer meede besig was, trapte, schopte hij Albertus Swierts haar tweede comparante geduurig soo hard hij kon, dat ten minste een quartier uur duurde, totdat hy eyndelyk syn hond riep en haar comparente liet gaan.

Eyndelyk verklaart de tweede comparante alnog afsonderlyk dat gemelde Albertus Swierts sijde dat het gerugt was dat de Bosse dienders hier waren geweest om hem te vatten in drie dagen niet thuijs had geweest, was thuys gekomen by syn vrouw, dat sy tweede comparante gemelde Swierts bij het inkomen hoorde seggen aan syn vrouw: “Maakt gou eeten klaar verdomde canalle, dat ik weer weg ben en dan kom ik vannagt weer, dan sal ik uw capot maacken en uw kind tegen den steen capot goijen, en dan blyff ik voort weg, dan sul je mij van sijn leven niet meer zien.”

R115, fol. 88 (26-7-1798)   Voor “leden der municipaliteit Veghel”, verscheen Tys Tysse Tillaar, inwonende burger van Veghel, die op verzoek van “den preesident deeser municipaliteit, waarnemende ‘t officie alhier” een verklaring aflegt.

Hij verklaart dat hij “woonende aan den Leest en een coopman van stiel, dat hij comparant in den nagt des smorgens ten twee uuren op den tweede februarij 1798 laastleeden door syn vrou werd wakker gemaakt, welke teegen hem comparant zeyde: “Tys, ik hoor iets en weet niet wat, het is seeker niet wel.”

Dat hij comparant na een weynig te hebben geluijstert, uijt den bed sprong en gewaar wierd dat er schelmen in huijs waaren, hoorende hij met geld dat in de lade lag rommeren, en toen sag den comparant ligt door de muur, alsoo het maenligt was, welke in den winkel uijt kwam, welk nasiende bevonden een gat te zijn dat er doorgebrooken was, hebbende hy comparant niemand gesien, nog ook niet buijten het huijs.

En verklaard den comparant dat hij hem dien nagt gestoolen was verscheyde zeijde dassen, bruijne en roode oostindiesche doeken, kousen, sitsen en catoenen bies en een weijnig gelt etcetera, staande nog buijten voort gat een vaatje met koffijboonen en een vatje met nagels, welke hij comparant weeder in huys heeft gebragt.”

R115, fol. 89 (10-9-1798)   Op 12 juni 1798 vond er in Den Haag een tegencoup plaats vond, waarbij de leden van het Uitvoerend Bewind door meer gematigden werden vervangen. Pieter Vreede vluchtte naar het buitenland.

Voor “leden der municipaliteyt Veghel” verscheen Willem Francis Colen, “medcine doctor, wonende alhier”, die op verzoek van de municipaliteyt Veghel een verklaring aflegt.

Hij verklaart dat hij “op den 13 julij deeses jaars, juijst den dag dat de kiesers ter districtvergadering Veghel bij den anderen waren om een lid in het vertegenwoordigen lighaam der Bataefse Republicq te verkiesen, dat als toen soo ‘t scheen expres ten synen woonhuyse is gekomen Jan Francis van Eymerik, wonende tot Liempde, synde een der kiesers wegens Liempde voorscreven, denwelke aan den comparant versogt alleen te spreeken, soo als hij comparant dan ook met gemelde Jan Francis van Eymerik in een kamer apart ging.

Dat doen gemelde Jan Francis van Eymerick aan den comparant proponeerde dat hij comparant het volk alhier te Veghel en hier rontom sou opmaken om Bataafs Braband over te geven aan de Franse Republieq, en dat hij daer toe een plan had om dat in werking te brengen en dat men sig maer bij hem sou addresseeren, offwel bij een seker persoon wiens naam hij noemde, dog door den comparant vergeeten, welke toen tot Gemert was, die hem belooft had daer in te sullen soutineeren.

Oock seyde hij aan den comparant dat hij dagelyks brieven kreeg van Vreede, toen tot Poppel synde ter volbrenging van dat plan. Dat den comparant daer op aan denselve Jan Francis van Eymerick antwoorde sig daer niet mede te willen meleren, waer op hij Jan Francis van Eymerik zeijde dat hij reets daer agt dagen op gereyst had en diret sig na Paris zou begeven. Zijnde alsoo de gesprekken tussen hem comparant en gemelde Jan Francis van Eymerik geeyndigt.”

R115, fol. 95 (19-10-1798)   Voor “scheepenen in Veghel” verscheen Jan van Gerwen, meester timmerman, “staande ter goeder naam en faam”, wonende in Veghel, om op verzoek van Jan van den Broek, wonende te Dinther, een verklaring af te leggen.

Hij verklaart “dat het circa elf jaaren is geleeden dat denselve als timmerman werkte aan het huijs en erve van Elisabeth Boermans, wedue Jan Wilbert Donkers, staande alhier aan de Kempkes, welk huys en erve voornoemde weduwe, soo veel hem comparant bewust, reets in togte (voor het vruchtgebruik) besat en haaren zoon Johannis en Jenneke, haare dogter, getrouwt met den requirant (Jan van den Broek) ten erfregte.

Dat den comparant van deselve wedue en van haare zoon Johannes heeft gekogt eene schoone wassende elsenboom, staande aan en op gemelde erve aan den put voor een somme van neege guldens tien stuyvers, ofwel tien guldens, welk different den comparant is vergeeten om reeden soo lang geleeden is, dog welke som den comparant aan Johannis haaren zoon betaalt heeft.”

R115, fol. 95v (19-10-1798)   Voor “scheepenen in Veghel” verscheen Bastjaan van Mierlo, “staande ter goede naam en faam”, om op verzoek van Jan van den Broek, wonende te Dinther, een verklaring af te leggen.

Hij verklaart “dat het vyf jaaren is geleeden dat den comparant als dan arbeijder van stijl sijnde, van Johannes Jan Donkers had aangenomen voor eene somme van vier guldens en twee maal daags de kost een groot parthij eijke struijken uijt te roeijen, welke stonden op ‘t klyne bergje op het erf van Elisabeth Boermans, wedue Jan Wilbort Donkers sijne moeder, welk erf, soo hij comparant vermeent dat die wedue toen in togte besat en Johannis haare zoon voorscreven, en Jenneke haare dogter, getrout met den requirant (Jan van den Broek) ten erfregte.

Dat den comparant syn aangenoomen werk heeft volbragt en syn bedongen loon heeft ontfangen in brood, aardappelen etcetera van de gemelde wedue Jan Wilbert Donkers, of haaren zoon Johannes voorscreven die bij alkandere woonde.”

R115, fol. 96 (17-10-1798)

  Voor “scheepenen in Veghel” verschenen Aart Antonij van der Heijden en Adriaan van de Crommert, “staan ter goede naam en faam”, om op verzoek van Jan van den Broek, wonende te Dinther, een verklaring af te leggen.

Zij verklaren dat zij “als bouwmans knegs hebben gewoond bij Elisabeth Boermans, wedue Jan Wilbert Donkers. Ende verklaard den eerste comparant (Aart Antonij van der Heijden) twee jaaren daar geweest te sijn en wel van St. Pieter 1788 tot St. Pieter 1790.

Dat den selve in die tijd door order van Johannes sijnde den soon van gemelde wedue welk als baas daar fungeerde, heeft omgekapt eenen swaaren dikken wassende appelboom, staende op het drieske aan en bij het huijs en erve van gemelde wedue, welk huijs en erve, zoo de comparant vermeent, de gemelde weduwe in togt (voor het vruchtgebruik) besat en voornoemde Johannis haaren zoon en Jenneken haare dogter, getrouwt met Jan Willem van den Broek, ten erfregte.

Van welke appelboom braken syn gemaakt en de rest verbrand. Verders dat den comparant op gemelde erve off voorpoting door order en tijden als voor heeft omgekapt verscheijde heele dikke en swaare, die men niet kon omvademen nog wassende knooteijken en die alle verbrandt.

Ende verklaart den tweede comparant (Adriaan van de Crommert) een jaar daar geweest te sijn en wel van St. Peeter 1792 tot St. Peeter 1793. Dat denselve in dier tijd door order van Johannis, zynde den zoon van gemelde wedue welke als baas daar fungeerde, heeft omgekapt een nog wassende dikke knooteijk, staande op de voorpoting als ook eenen wassende opgaende eijk, staande op Jan Corsten Camp, beyde op erve en voorpooting van dien van gemelde wedue, welke erve, soo den comparant vermeent de gemelde wedue in togt besat en voornoemde haaren zoon Johannis en Jenneke haare dogter, getrout met den requirant (Jan van den Broek) ten erfregte.”

Bouwstijlen - Thema's - Groei - Organisaties - Veldnamen - Attestaties
Afkortingen - Toelichting verenigingen - Toelichting Huizen - Toelichting Kroniek - Downloads