Verklaringen afgelegd in 1798
|
R115, fol. 55 (3-1-1798) |
|
“Vraag articulen door den president waarnemend ‘t
officie voorgestelt om daer op in preesentie van den
diender municipaliteyt te hooren en te doen antwoorden
van seker door de burgerwagt van het rot de Heyde heden
nagt geappreehendeerd en in arrest gehouden
vrouwpersoon.
1. De geapprehendeerde haar naam en
ouderdom? Deselve segt genaamt te zijn Helena van Gelder
end zynde byna 23 jaer.
2. Waar desselfs geboorte plaats
en woonplaats is? Deselve segt geboortig te wesen tot
Uden, Lande van Ravestyn, en dat sij sedert eenige tijd
geen vaste woonplaats heeft gehad maer overal eens
gaet.
3. Wat haar handteering en kostwinning is?
Deselve
segt voorheen de boer gedient te hebben, dan zedert vyff
maanden niet, terwijl sy toen als bijsit aant swerven en
rontlooope is geraakt met seekere Albertus Zwierts, die
sij nu had verlaten, met welke sy om de kost te hebben,
bedelde en om aelmoese rontging.
4. Off de geappreehendeerde voorsien is van een pas?
Deselve segt
van geen pas voorsien te zyn.
5. Waer ter plaatse de
geappreehendeerde van deese nagt is
geappreehendeert? Deselve segt ten huijse van Tonij van
Lieshout aan de Heyde op het bed leggende met gemelde
Tonij van Lieshout, terwijl de vrouw van Tonij van
Lieshout in de haerd sat te spinnen.
6. Off sij
geappreehendeerde meermaele als eens wegens regenten is
gewaarschuwt geworden zig uyt deese plaats te onthouden
off te vertrekken? Deselve segt: “Ja,” en selfs dat sij
al eens door den diender is uytgeslagen en eens
gewaarschuwt had.”
|
|
R115, fol. 56v (4-1-1798) |
|
“Alsoo zeeker vreemd vrouwpersoon soo sy segt genaamd te
wesen Helena van Gelder, oud synde 23 jaaren, geboortig
tot Uden, lande van Ravensteijn, tussen dingsdag en
woensdag snags synde geweest den 2e - 3e January 1798
door de burgerwagt van het rot de Heijde in arrest
genoomen en geapprehendeert (gevangen).
Dat de
leeden der municipaliteit Veghel behoorlijke informatie
ontrent de geapprehendeerde heeft bekoomen en volgende
desselvs eygen bekentenis te zyn vreemdeling en zeedert
eenigen tijd geen vaste woonplaets te hebben, niet
voorsien te sijn van een pas zeedert vyff maanden als
bysit geweest van zeekere Albertus Zwierts, waarmede zij
rondswervde en om aan den kost te koomen beedelden om
aalmoesen rondging, meermaalen gewaarschoud te zyn van
de regeering sig van deese plaats te retivreeren,
etcetera.
En want deselve geapprehendeerde (gevangene)
Helena van Gelder daar van strafbaar is, soo hebben de
leeden der municipaliteit Veghel voornoemd kragtens
vermogens publicatien en resolutie van de
repreesentanten van het volk van Bataafs Braband date 12
december 1796 en meer anderen door hoogst deselve
genoomen gemelde vroupersoon Helena van Gelder
gecondemneert (veroordeeld) tot confinement (opsluiting)
in een tugt- of werkhuijs voor den tyd van twee jaaren
om met haere handen arbeijd geduurende die tijd aldaar
den kost te winnen.”
|
|
R115, fol. 62 (14-2-1798) |
|
“Vraag articulen door den president waarnemend ‘t
officie voorgestelt om daer op in preesentie van den
diender municipaliteyt te hooren en te doen antwoorden
seker persoon door de burgerwagt bij het houden der
generaale jagt op vagebonden en landlopers den 13
februarij geapprehendeerd (gevangen) en in arrest
gehouden.
1. De geapprehendeerde syn naam en
toenaam en ouderdom? Den geapprehendeerde segt
genaamt te weesen Huijbert Pennings, off Huybert Pieters,
tusssen 34 en 35 jaeren oud.
2. Waar desselfs
geboorteplaats en woonplaats is? Den
geapprehendeerde segt geboortig en woonagtig te zijn tot
Gemert.
3. Wat syn handteering en kostwinning
is? Den geapprehendeerde segt een wever te zyn.
4. Off den geapprehendeerde voorsien is van een pas?
Den geapprehendeerde vertoont een pas van Gemert
dato 15 decembeer 1796, getekent door W. Corstens,
schepen.
5. Bij wie hij geapprehendeerde was
off waer en op wat wijse hem de wagt heeft
geapprehendeert en opgebragt? Den
geapprehendeerde segt tusschen den 12 en 13 snags
geslapen te hebben in het eerste huys onder Veghel
komende van den Vorstenbosse dijk, alwaar hem de wagt
daer komende des smorgens den 13 deser opgebragt heeft.
6. Waar hij van te vooren vandaan was gekomen en wat
hij daar gedaan heeft, en waar na toe hij dagt te gaan?
Den geapprehendeerde segt van Vorstenbosch te syn
gekomen en dat daar bij een schepen aan geen seyde de
capel had geeweest en gesegt: “Ik sal maer eens gaan,”
Waerop den gemelden schepen hen geapprehendeerde seyde:
“Den diender is niet te kwaad,” en dat hij hem
het grootste leet niet doen sou, en wou dat hij den oude
diender wederom Had. Dat den geapprehendeerde van een
soopje jenever van den scheepen voornoemt te hebben
gekregen uyt huijs is gegaan, vragende onderwegen in de
huijsen een aalmoes, ‘t sij vlas, brood off een duijt,
totdat hij is gekomen ter plaatse als in articul 5 heeft
beantwoord. Vervolgens segt hij geappreehendeerde
voornemens te zyn geweest weder direct na Gemert te gaan,
van waer hij maandag den 12 deeses des smorgens ten
negen uuren was vertrokken.”
|
|
R115, fol. 64 (14-2-1798) |
|
“Vraag articulen door den president waarnemende ‘t
officie voorgesteld om daer pop in preesentie van de
leden der municipaliteyt te horen en te doen antwoorden
seker vrouwspersoon en kind door de burgerwagt bij het
houden van der generaele jagt op vagebonden en
landlopers den 13 februarij 1798 geapprehendeert en in
arrest gehouden.
1. De geapprehendeerde haar
naam en toenaam en ouderdon als meede hoe oud het kind
is? Deselve segt te zyn Marysyn Theresia Asij,
oud ontrent 32 jaaren, en haar kind circa drie à vier
maanden.
2. Waar desselfs geboorte plaats en
woonplaats is? Zegt geboortig te weesen tot Luijk,
geen woonplaats te hebben, maar rontswervende.
3. Wat haar kostinning is? Deselve segt
beedelende den kost moeten soeken.
4. Off sij
gehuwt is? Deselve segt: “Ja”, en dat haar
man genaemt is Joseph Ponijdoren, dragonder onder het
regiment Bataafs, tweede compagnie, in garnisoen (seggende
niet beeter te weeten) tot Zutphen. Dog dat gemelde
haare man by het regiment als jongman te boek staet en
dus aldaer niet anders weeten dan dat hij niet getrouwt
is.
5. Off sij voorsien is van een pas?
Deselve segt: “Neen”.
6. Hoe en waer
sij geapprehendeert is geworden? Deselve segt
door de wagt te zyn gevat by off ontrent de weg lopende
na Erp.
7. Off sy alleenlyk hier te lande is
en off sij geen manspersoonen bij haar had?
Deselve segt dat sij vant land van Luijk aff komende,
altoos bij haar is geweest een manspersoon synde haar
neev genaamt Joseph Asij.
8. Soo ja, waar die
syn gebleeven? Deselve segt dat de wagt circa een
uur van te voren dat sij geapprehendeert is, gekomen was
toen tsij nog bij elkanderen waren en dat den
voorscreven Joseph Asij daar voor weg liep, op welk
weglopen de geappreheehendeerde aan gemelde Joseph Asij
toeriep dat hij wagten sou, dog dat hij sulx niet deede
en dus niets meer van hem weet.
9. Wat sij
geapprehendeerde hier ter plaatse heeft gedaan?
Deselve segt met gemelde Joseph Asij eenige huijse te
hebben afgeweest en om eem aalmoes gevraagt.
10. Waar haer bij hebbend kind geboren is?
Deselve segt dat haar kind geboren is int Ginneken bij
Breda en daar gedoopt.”
|
|
R115, fol. 66 (15-2-1798) |
|
Voor “leden der municipaliteyt Veghel” verschenen
Gregorius Merkelenbag, oud ongever 36 jaren, en Jan van
Beers, oud ontrent 27 jaren, beiden wonende in Veghel,
“staande ter goede naam en faam”, die op verzoek van
“den preesident waarnemende ‘t officie alhier” verklaren,
“dat sij op sinsdag den dertiende deeser ontrent seeve à
agt uuren des smorgens hebben sien gaan bedelen en om
een aalmoes vragen een vrouwspersoon met een kind, synde
deselfde die op die dag door een van de burgerwagten bij
het gaan der generaele jagt op vagebonden alhier is
opgebragt en thans nog in arrest en bewaring ons wel
bekend na haar wel beschouwt te hebben.”
|
|
R115, fol. 66v (16-2-1798) |
|
“Gesien hebbende bij de leden der municipaliteyt Veghel
de remonstrantie met annexe bewijsen overgegeven door en
wegens den preesident waarnemende ‘t officie waer bij te
kennen geeft dat seeker vrouwspersoon met een klyn kind
van circa drie maanden oud bij het houden der generaele
jagt op gaauwdieve en vagebonden op dinsdag den
dertiende deeser door de burgerwagt was opgebragt en
vervolgens gearresteert, sig noemende Marisyn Theresia
Asij, voorgevende van Luijk geboortig te syn,
vagebonderend met seekere Joseph Asij, sonder pas
voorsien en met beedelen den kost bekwam.
Versoekende dat regt gedaan wierd in naam vant Bataafse
volk en deselve condemneren na de wetten van den lande.
Soo ist dat de leden der municiapaliteyt voorscreven
regt doet in naame als voorscreven kragtens en vermogens
publicatie en resolutie van de Repreesentanten van het
volk van Bataafs Braband dato twaelff december 1799
sesentnegentigh en meer andere door hoogst deselve
genomen.
Condemneeren gemelde vrouwspersoon sig
noemende Marisyn Theresia Asij vom voor den tijd van
twee jaeren geconfineert te worden in een tugt- off
werkhuijs om met haarer handen arbeyts geduurende die
tijd aldaar den cost te winnen.”
|
|
R115, fol. 67v (22-3-1798) |
|
Voor de “leeden der municipaliteit van Veghel”
verschenen Jacob Jacot, Cornelis van den Elsen, Hendrik
Voets, Jacobus Tijsse Tillaar, Godefridus Frankevoort,
en Arnoldus Tomas Donkers, allen inwoners van Veghel, om
op verzoek van het “hoog officie” in Den Bosch een
verklaring af te leggen.
Zij verklaren “zeeker
geapprehendeert (gevangen genomen) persoon, alhier in de
wandeling genaamt Johannes Leen Lijssen, bewaard te
hebben op order van regenten deeser plaats in de oude
raadcamer alhier, laastleede zaturdag avond den 17e
deezer loopende maand maart tot des anderen dag smorgens
zijnde gepasseerde zondag.
Dat gemelde Johannes
Leen Lijssen des snagts ontrent twaald à een uur strooij
vroeg om op te leggen ‘t welk hem door den 2e comparant
(Cornelis van den Elsen) wierd besorgd, waar op den
geapprehendeerde van tijd tot tijd ging liggen, en dan
weeder op stond, somwijlen door de wagt ging, ‘t geen
hem wierd toegelaaten, mits den selve gevleugelt (geboeid)
was, dog meestal bij het vuur zat.
De
geapprehendeerde des ‘s morgens bij het aanbreeken van
den dag weeder op ‘t strooij was gaan leggen, terwijl de
comparanten alle bij het vuur met elkanderen zaten.
En verklaren de twee eerste comparanten (Jacob Jacot en
Cornelis van den Elsen) afsonderlijk dat den
geapprehendeerde eensklaps zeer schielijk en onverwagt
met een snelle vlugt na de andere seijde der oude
raadcamer vloog, daar de geweeren van den comparanten
ter needer waren geset, den eerste comparant (Jacob
Jacot) dit meede dadelijk ziende sprong over een der
banken welke voor het vuur stonden, na den
geapprehendeerde toe, niet schieliijk genoeg sijnde om
den geapprahendeerde (die sig had weten los te krijgen)
het gebruijk der geweeren te kunnen beletten, nam hy
geapprehendeerde een snaphaan die zoo als aan de
comparanten verseekert is met een swaare scheut gemeten
hagel gelaaden was, en dat geweer op den eerste
comparant aanleijde, dog niet teegenstaande dit, den
eerste comparant eevenwel teegen dat geweer inliep en
den geapprehendeerde soo digt op het lyf kwam en
struijkelende vallende voor den geapprehendeerde needer,
wanneer hij geapprehendeerde met dat geweer den eerste
comparant sloeg, soo dat het geweer in stukken ging.
Den eerste comparant (Jacob Jacot) vervolgens weeder
opgekoomen sijnde den geapprehendeerde bij de haire
greep en teegens de muur vasthield, den geapprehendeerde
alsoo het geweer kwijt geraakt zijnde den tweede
comparant (Cornelis van den Elsen) is toegesprongen en
den geapprehendeerde ook aangreep, dog den
geapprehendeerde nog niet wel kunnende meester worden,
vervolgens meede den 4 en 5e comparanten (Jacobus Tijsse
Tillaar en Godefridus Frankevoort) tot hulp gekoomen zyn,
met zeer veel moeijten den eersten comparant los kreegen
die door den geapprehend(eer)de met de hairen wierd vast gehouden, waar op den eerste comparant den
geapprehendeerde de touw daar hij meede gebonden was
geweest, om de keel sloeg en alsoo den geapprehendeerde
meester geworden zijnde, welk toen direct aen den eerste
comparant (Jacob Jacot) om vergiffenis vroeg, zeggende
een kranke zin gehad te hebben, en daar op denzelve
handen en voeten gebonden en alsoo tot smorgens bewaard.
En verklaard den derde comparant (Hendrik Voets) het
slaan met het geweer op den eerste comparant (Jacob
Jacot) door den geapprehendeerde gesien te hebben en
vervolgens toegeloopen en de andere geholpen.
Verders verklaaren de vierde en vyffde comparanten
Jacobus Tijsse Tillaar en Godefridus Frankevoort) dat
sij slaaperig geweest zijn, off ten minsten sluijmerende
waaren, verbaast over het geval, dat sij voor ogen sagen,
dog hadde niet gesien vant vatte van ‘t geweer off
diergelijke voor en aleer zij de eerste en tweede
comparanten (Jacob Jacot en Cornelis van den Elsen) met
den geapprehendeerde besig sagen, waar na sij ook syn
gekoomen en haar geholpen hebben.
En verklaart
den zesde comparant (Arnoldus Tomas Donkers) dat hij
nieuwschierig synde in de wagt was gekoomen, dat den
gemelde geapprehendeerde als voor bewaart wierd, en ging
sitten naast den geapprehendeerde. Dat den
geapprehendeerde, met naeme Johannes Leen Lijsse, aan
hem comparant vroeg: “Heb je niet een mes in de sak?”
Dat den comparant daar op antwoorden: “Wat zeg je?”
Waar op gemelde geapprehendeerde ‘t selvde nog eens
vroeg, en daar op direct sonder meer woordenwissling
gehouden te hebben met den geappprehendeerde, hij
comparant opstond en uijt de wagt ging.”
|
|
R115, fol. 69 (25-3-1798) |
|
“De ondergeteekende leeden der municipaliteit Veghel
verklaaren bij deese ter instantie en requisitie vant
Hoog officie der Stad en Meijerije van den Bosch dat
seekere persoen Johannes Leen Lyssen, tans gevangen
zittende ter stads gevange Poorte in den Bosch, alhier
altoos heeft genaamd geweest in de wandeling Johannes
Leen Lijssen, dog sij ook wel gehoord hebben dat hij
genaamt sou sijn Johannes Mighiels, en ook dat sij sulx
hebben ontwaar geworden door zeeker kerk extract van
Neerglabbeek door den gedetineerde aan deese
municipaliteit overgegeven, welk hier bij aant Hoog
officie word ter hand gestelt, beneevens zijn doop
extract van deesen dorpe.”
|
|
R115, fol. 70 (30-3-1798) |
|
Voor “leeden der municipaliteit Veghel” verscheen
Johannes Waggelmans, inwoner van Veghel, “staande ter
goeder naam en faam”, om op verzoek van “den President
waarnemende ‘t officie alhier” een beëdigde verklaring
af te leggen.
Hij verklaart “dat laastleede
sondag avond synde geweest den 25 maart tussen circa agt
à negen uuren, comende den comparant van Schyndel na
herwaarts onderwegen sijnde op het soogenaamde Eerds
padje of dijkje, ongeveer op de helft leggende tussen
het Eerd en Veghel.
Dat hij circa een schoot ver
van sig aan sag komen een persoon hebbende aan een
blaauwe keel en van ter seijde op het broek naast den
Schijndelsen sijk meede een persoon, ook aan hebbende
een blaauwe keel.
Dat den comparant zyn weg
vervolgde, den eerste persoon soodra hij bij hem
comparant was, hem comparant met syne eenen hand bij de
borst vattende, en met de andere hand hem comparant een
mes op sijn hard setten, seggende: “Geeft alles af
wat je hebt, en verroert uw niet, of ik sal u kapot
maaken.”
Dat den comparant toen toesprong en
die persoon een dou op de borst gaf, waar door zij
beijde met elkanderen in den sloot vielen, alsoo die
persoonen onder het vallen hem comparant greep, staande
dus met haar beyde in den sloot teegenover elkanderen.
Dat doen direct den tweede persoon, welke hij comparant
van ter seijde had sien aankomen er bij quam, syn mes
ook trekkende hem comparant verscheijde sneede door sijn
kamisool, rok en hoed, en ook in het hooft kreeg.
Dat den comparant toen van den tweede persoon met sijn
arm wierd vastgebonden en den eerste persoon het mes
weer op de borst setten en seijde: “Geef af.” Dat
den comparant daar op seijde: “Neem maar af wat ik
heb en laat mij dan los.” Waerop den tweede persoon
hem uijt sijn sak haalde neege gulden twee stuijvers,
sijn mes en zijn pijp met het pijpedopje, waar op den
gemelde persoonen hem comparant verlieten en neemende
haaren weg door ‘t broek op ‘t Schyndels gat.
Eyndelyk verklaart den comparant de persoonen niet te
kennen, mits hy comparant soo ontstelt was en de
persoonen beijde haaare hoeden neerslaande na beneeden
in de oogen hielden, dog dat hij comparant wel hoorde
dat sij haar spraak veranderde ende taal gelijk was aan
een inlander, of soo als hier in ‘t gemeen gesprooken
word.”
|
|
R115, fol. 71 (2-4-1798) |
|
Voor “leden der municipaliteyt Veghel” verscheen Peter
van de Meeracker, inwoner van Sint-Oedenrode, en Antonij
Paulus Smits, “wonende voorheen in ‘t Wybos tot Schyndel”,
die op verzoek van het “Hoog officie” in Den Bosch een
verklaring afleggen.
Peter van de Meeracker
verklaart “dat hij namens syne moeder, Alegonda, weduwe
Peter van de Meeracker, waar hij bij woont, in de maand
september laastleden aan hem tweede comparant (Antonij
Paulus Smits) heeft verkogt elff biestokken onder welke
elff biestokken twee biestokken zyn, na desselfs gedagte,
die hij heden is versogt tot Veghel te komen sien,
kennende deselve aan een teken ‘t geen in een van die
biestokken door den comparant was gestoken, namentlyk
een rontje met swart potlood met de letter P., welke op
de selfde plaats nog stak waer hij comparant het altoos
gewoon was te steeken.
En verklaart den tweede
comparant (Antonij Paulus Smits) dat de bovengemelde
biestokken syn bedunkens de selfde zijn die hij van den
eerste comparant gekogt heeft, en welke hem in de maand
november laastleden op een nagt syn ontvreemd geworden,
en soo naderhand had horen seggen, dat Johannes Leen
Leysse die gestolen had.”
|
|
R115, fol. 71v (2-3-1798) |
|
Die “leden der municipaliteyt Veghel” verklaren op
veroek van de hoogschout van Den Bosch “dat seekere
persoon sig noemende Aelbert Zwierts alhier sedert
eenige tijd circa twee maanden heeft opgehouden bij
Adriaan Huybert Coenen aan de Leest, sonder dat de
regering hem oyt permissie van inwooning heeft vergunt.
Dat hij wel daar om gevraagt heeft, dat de leden
voorscreven al lang hem souden hebben doen off laten
aanseggen om te vertrekken, teerwijl de algemeene roep
is dat denselve een slegt gedragh heeft. Dan tot die
aansegging altoos huijverig synde geweest om redenen
personaliter met op d’een off ander manier van hem
brutael off ongelukkig gemaakt te worden.
Dat
sedert die tijd gemelde Aelbert Zwierts hier heeft
geweest, men denselve altoos met een geweer langs straat
en op de weegen siet gaan, hebbende dikwils een groote
hond bij sig, die men seyd een van de brutaalste diere
is dat in haar soord gevonden word.
Dat denselve
volgens ene raport een uytlander is en tot in den lande
van Ravestyn dienaar der jsutitie geweest en daar sedert
ruym een jaer om syn sleg gedragh afgeset, an die tijd
rontswervende geweest volgens bekentenis van en met
sekere vrouwspersoon Helena van Gelder, die op den
vierde januarij door de leden deser municipaliteyt
ingevolge publicatie van de toenmalige repreesentanten
van ‘t volk van Bataafs Braband voor twee jaaren in een
tugt off werkhuijs was gecondemneerd.
Dat den
gemelde Aelbert Swierts voor eenige jaeren getrouwt is
met Meghel Paulus Vervoort, van hier geboortig, welke
hij lange jaere had verlaten, dog nu zedert die tijd dat
het gemelde vrouwspersoon Helena van Gelder weg is,
weder bij sijn vrouw gebleeven, welke vrouw eeven voir
dat het gemelde vrouwspersoon Helena van Gelder was
gevat, een erffenis had bekomen van circa 150 guldens.
Dat de ondergetekende leden bekent is en verscheydene
reijse hebben vernomen dat gemelde Swierts alhier zig
ophoud bij gemelde syne huys (van) Adriaan Huybert
Coenen (welke meede al dikwyls ook met een snaphaan en
hond rond loopt en samen schynen goede vrinde te zyn)
aan en ontrent die seyde van de Leest, menigmael
particuliere ingesetenen als andere syn aangerand,
gekwest en ontrooft geworden ‘t geen sij by sog hadde,
schoon dat leden voorscreven niet hebben kunnen
ontdekken dat sulx door haer soude syn geschiet, egter
‘t selve suspect (verdacht) voorkomt.”
|
|
R115, fol 72v (3-4-1798) |
|
Op 22 januari 1798 vond in 's-Gravenhage een staatsgreep
plaats door radicale patriotten onder leiding van een
van de Brabantse afgevaardigden in de Nationale
Vergadering, Pieter Vreede. Op 4 mei 1798 werd een
nieuwe grondwet ingevoerd.
In deze grondwet
werd een scheiding gemaakt tussen de wetgevende, de
uitvoerende en de rechterlijke macht. Er kwam vrijheid
van godsdienst. De regering van de Republiek werd
voorlopig in handen gelegd van een Intermediair
Uitvoerend Bewind, bestaande uit vijf directeuren, onder
wie Pieter Vreede. Na de staatsgreep werd een aantal
plaatselijke besturen gezuiverd.
Zo werd in Veghel president Gerrit van Roij begin april
1798 uit zijn functie ontzet.
Verschenen voor de “leden der municipaliteit Veghel”
Leendert Donkers en Dirk van Lith, inwoners van Veghel,
die op verzoek van “den burger” Gerrit van Roij, inwoner
van Veghel, onder ede een verklaring afleggen.
Leendert Donkers verklaart “dat op desen selven dag der
reorganisatie van den regeering alhier, den eerste
comparant (Leendert Donkers) zat ten huijse van Jan van
Zutphen, waar onder andere in kwam den docter W. T.
Coolen, agent ter reorganisatie van de municipaliteiten.
Dat den comparant met gemelde Coolen in gesprek was
geraakt en wel over het organiseeren van de leeden
deeses municipaliteit en onder andere seijde den eerste
comparant teegens gemelde Coolen dat hij comparant zeer
verwondert was dat den burger Gerrit van Roij uijt de
regeering was geraakt. Dat daar op den gemelde agent
Coolen antwoorde: “Ik heb aan mijn speciaale eedt
voldaan, en moet weeten wat ik te doen had.” Waar op
den eerste comparant seyde: “Dan valt er niets teegen
te seggen”, en ook: “Het raakt mij niet.”
En veklaart den tweede comparant (Dirk van Lith) dat op
sondag of maandag synde geweest den 25ste of 26ste der
gepasseerde maand maart deeses jaars, den tweede
comparant zittende in de herberge bij Hendriena van den
Bogaart met de kaart te speelen.
Dat toen daar
bij kwam staan den doctoe W. T. Coolen, agent ter
reorganisatie van de municiapaliteiten, dat in dat
geselschap wierd gesprooken ontrent het reorganiseeren
van de municipaliteit alhier, dat den tweede comparant
aan gemelde Colen seijde in diergelijke substantie, dat
hij comparant verwondert was dat Van Roij afgeset was,
waarop gemelde Colen antwoorden: “Ik heb bijsondere
instructie of last die ik aan niemand behoef te laaten
zien,” en den comparant toen verder heeft stil
geseeten en syn kaart speelen vervolgt.”
|
|
R115, fol. 73v (4-4-1798) |
|
Voor “leden der municipaliteyt Veghel” verschenen
Hendrikus Antonij van de Ven, Lambert Verhoeven, en Jan
Janse van der Heyde, allen inwoners van Veghel, die op
verzoek van “den burger” Gerrit van Roij een verklaring
afleggen.
Zij verklaren dat zij “meenigmaal met
den gem(elde) burger Gerrit van Roij sedert drie à vier
jaaren herwaerts en ook jaars van te vooren over de
omstandigheden van slands saeken conversatie in ‘t
particulier en publiequelyk hebben gehad en gesproken.
Dat de comparanten noijt anders dan altoos wanneer daer
over gehandelt wierd in haer preesentie heeft geuijt dan
gelyk een waare vaderlander behoord te doen en voor al
verklaeren deselve dat sij in die gesprekken en
conversatie hem requirant hebben geouden en houden voor
die geene die de tegenwoordige orde van saeke is
toegedaan.”
|
|
R115, fol. 75 (23-5-1798) |
|
Voor “leden der municipaliteyt Veghel” verscheen
“Hendrica Voorthuijs, weduwe van Lodewijk Carel van Dijk,
wonende alhier, verklaart by deese consent te geven aan
haere dogter Johanna, woonende te Amsterdam, om een
wettig houwelijk aan te gaan met B. C. van Ranswijk,
meede aldaer woonagtig.”
|
|
R115, fol. 75v (31-5-1798) |
|
Voor “leden der municipaliteyt Veghel” verschenen
Eymbert van Nieuwland, wonende te Roosmalen, Hendrik van
Nieuwland, wonende te Geffen, en Willen van Enhorn,
wonende te Uden.
Ze verzoeken “dat de leden
deeser municipaliteyt gelieve te arresteeren en in smine
bewaring te houden een seeker persoon met twee paerden,
voorgevende van den Dorse Waert te komen, welke haarer
vermoeding is dat soodanige paarden gestolen paerden zyn.
Gelovende binnen tijd van drie maal vier en twintig uure
verder en nader rapport te sullen doen, guarandeerende
voor alle arestte in deese soude moeten geschieden op
verbant van haare persoonen en goederen present en
toekomende.”
|
|
R115, fol. 7
(31-5-1798) |
|
“Vraag
articulen voorgehouden door den preesident waarnemende
‘t officie aan seker onbekent gearresteerd persoon, door
Eymbert van Nieuwland, Hendrik van Nieuwland, en Willem
van Enhorn volgens acte heden door deselve voor de
municipaliteyt gepasseert ten eynde den gearresteerde
daer op sal antwoorden.
1.
Den gearresteerde syn naam, ouderdom en woonplaats?
Denselve segt genaemt te zyn Hermanus Dousyn, oud circa
23 jaaren, wonende in de Dorse Waert, beseyde Nieuwegen.
2.
Wat handteering hij doet?
Denselve segt een paerde koopman en boerenwerk te doen
en anders niet.
3.
Waar hij heden vandaan is gekomen?
Denselve segt heden nagt hier te hebben geslapen ten
huyse van Jan van Zutphen.
4.
Wat hij bij sig heeft en vooral paerden, hoe die van
hair syn en waer hij sie gekreegen heeft, off van wie
gekogt?
Denselve segt bij sig te hebben twee paerden, het eene
een jong swart, oud circa twee jaaren, en het tweede
bruyn van hair, circa seeve à agt jaaren oud. Het eerste
gekogt te Nieuwegein in de Boterstraet bij eenen Hospes
die hij niet en kend en het tweede tot Waardenbugh op de
markt die geweest is gisteren den 30ste deser, dog weet
niet van wie, als dat hij seyde van Gorkom kwam. Dat hij
gisteren ontrent elff uuren van Waardenburgh waas
afgereeden, vervolgens syn weg over ‘t Huijlen de Wael
over en de Maas ook, dog dit laaste niet te weeten hoe
die plaats genaemt is, na Den Bosch nergens aan geweest,
vervolgens op Heeswijk, daer een pind bier genomen en
soo dien avond circa ten 6 uuren hier aangekomen bij Jan
van Zutphen, waar hij het eeerstgenoemd jong paerd op
pinxteren sondag had gebragt en welk tot heden daar
gestaan had.
5.
Off hij gearresteerde die paerde vandaag heeft te koop
gepreesenteert aen Hendrik van Nieuwland.
Denselve segt dat hij de bovengenoemde heeft te coop
gepreesenteert, dog kent de personen niet.
|
|
R115, fol. 78v (2-6-17958) |
|
Voor “leden der municipaliteyt Veghel” verscheen Peter
van Luttervelt, wonende te Maurik, die aan “den
president waarnemende ‘t officie” onder ede een
verklaring aflegt.
Hij verklaart “dat verscheyde
syner paerden in syne gehuurde weyde genaamt de Apkouen
Ackers, gelegen int Maurikse velt, ordinairs heeft los
lopen om te weijen. Dat onder andere ook een paerd bruyn
van hair, hebbende een blaauw oog van de twee en oud
circa 7 à 8 jaaren om die reden op die weij had gedaan.
Dat den comparant tussen laastleden dinsdag en woensdag
nags dat paerd uyt die weyde heeft vermist. Dat hij sulx
heeft bekent gemaakt selds aan den rigter N. H. van
Geytenbeek.
Eyndelyk dat den comparant onderrigt
is geworden dat een seker persoon met twee paarden
alhier op de markt laalstleden synde donderdag den 31
meij was gearresteert geworden op presumptie dat het
gestolen paarde waren, gelyk dan ook den comparant daer
op heden hier komende verklaart een van die
gearresteerde paarden het bovengemelde paart syn eyge te
weesen en dat selfde dat ten teyde boven gemeld uyt de
weyde vermist is, en dat selfde paert weder eygent en na
hem neemd.”
|
|
R115, fol. 79v (11-6-1798) |
|
Voor “leden der municipaliteyt Veghel” verscheen
Cornelis van ‘t Schip, “ongehuwd soon van Jennetje,
eerst wedue Steeve van ‘t Schip, en laast wedue van
Gysbert Versteeg, met syn voorn(oemde) moeder, wonende
op de Boereplaats van den Burger Ort van Nieuweroorde in
Breukelen boven Utrecht, die “aan handen van den
president waarnemende ‘t officie” onder ede een
verklaring aflegt.
Hij verklaart dat hij “tussen
donderdag en vrijdag, synde geweest den 24 en 25ste maij
laastleden des nags syn paard, synde een swarte merrie,
oud ruijm twee jaeren, redelijke swaare staart en kuijff,
een weynige kromme neus, van de voornoemde Boereplaats
op de weyde heeft vermist.
Dat den comparant tot
kennis is gekomen dat alhier soodanig paerd stond. Soo
als den comparant verklaert dit alhier te hebben
hevonden ten hjijse van den president en in arrest synde,
en dat hij hier gehoord heeft al reets zedert laastleden
marktdag synde geweest den 31 maij laastleden,
gearresteert met een seker peroon die het op de markt te
koop had gepreesenteert.”
|
|
R115, fol. 81v (26-6-1798) |
|
Voor “leden der municipaliteyt Veghel” verscheen
Hendrica Voorthuys, weduwe vanLodewijk Carel van Dyk,
wonende in Veghel. Zij verklaart toestemming te geven
aan haar zoon Johannis, “luijtenant in het eerste
battiljon van de vyffde halve brigade in garnisoen tot
Campen, om een wettig houwelyk aan te gaan met
Geertruyde Cruseman, wonende tot Campen.”
|
|
R115, fol. 83 (20-7-1798) |
|
“Ingekomen de navolgende missive gecommuniceert door den
preesident waarnemende ‘t officie aan de municipaliteyt,
heden den 20sten julij 1798.”
Vrijheid
Gelijkheid. Gemert, 2 Term(..), 6 jaer der Fr(ansche)
Rep(ublieq). Van Ommeren, vredensregter van ‘t
cantoor Gemert.
Aan den Preesident van Vechel.
Burger,
Deese nagt is Aelbertus Swiers alhier
ontvlugt en aangesien denselve in Vechel gewoond off sig
laast opgehouden heeft, dient dit tot uw narigt in haast.
Groet en vrindschap.
Was getekent: H. van Ommeren.
Lager stond: P.S. persoon en syn gestelte is aan uw wel
bekent, dus onnodig daer van iets op te geven.
Gereserveert: alsoo het denkelyk is dat daer den in
missive aangehaalde persoon sig voor syn laaste
apprehensie alhier heeft opgehouden wederom na deese
plaats sal begeven, en de hoofdofficie der stad en
Meijerije van Den Bosch reets voor lange aan de
municipaliteyt order had gegeven die te appreehendeeren
(gevangen te nemen), heden nagt syne geweese
verblyffplaats en daar omstreeks te besetten, visiteeren,
en hem bindende in naam van ‘t officie voorscreven, des
noods met geweld te arresteeren. Sullende den preesident
versorgen en onder syn directie nemen de daer toe nodige
en vertrouwde manschappen.”
|
|
R115, fol. 84 (24-7-1798) |
|
Voor “leden der municipaliteyt Veghel” verschenen 1)
Jacob Jacot, 2) Jan Gerbrandts, 3) Johannis Craenen, 4)
Hendrikus van Gestel, 5) Jan Hendrik van Bogaert, 6)
Peter van Ham, 7) Marte van Valderen, 8) Rut Pijnappels,
9) Roeloff Schippers, en 10) Jan van Beers, allen
inwoners van Veghel. “ter goeder naam en faam staande”,
om op verzoek van het “Hoog officie” in Den Bosch een
verklaring af te leggen.
“En verklarende de
eerste comparanten uyt ende van den preesident der
municipaliteit alhier op laastleeden vrijdag tegen den
avond sijn ontboden geworden, den selven was gisteren,
ten eynde zeker persoon genaamt Albertus Zwierts dien
nagt was ‘t mogelijk te apprehenderen desnoods met
geweld.
Dat als toen dien nagt circa elf uuren de
vier eerst gemelde comparanten (Jacob Jacot, Jan
Gerbrandts, Johannis Craenen, en Hendrikus van Gestel)
met bijsijn van president en 2 leden der municipaliteit
de geweesen verblyflplaats van gem(elde) Zwierts hebben
afgesogt benevens de velden daar omstreeks en welk
laaste de vier eerste comparanten met den president en 2
leeden van de municipaliteyt, vermits groote preesumptie
(verdenking) kreegen dat hij sig daar ophoudende, dan
alles int maskere, synde de eerste comparanten met den
preesident en twee leden der municipaliteyt weder na
haare huysinge gegaan.
Vervolgens verklaaren de
gesamentlyke comparanten des anderendaags smorgens
tussen 9 en 10 uuren op order en bijsijn van den
president en leede voorscreven de velden daar de vier
eerste comparanten dien nagt van te vooren weetende
hadde gekreegen dat gemelde Albertus Zwierts sig ophielt
zoo veel mogelijk omset en doorsogt, soo dat eyndelyk in
die velden gemelde Albertus Zwierts het eerste ontdekt
wierd door den vierde en zevende comparanten (Hendrikus
van Gestel en Marte van Valderen).
Welke twee
comparanten verklaaren soodra sij Albertus Zwierts kende
worden, denselve sig aanstonds op den loop en vlugt
begaf. Schietende den vierde comnparant (Hendrikus van
Gestel) met twee scheuten na hem ten eijnde hij soude
staan, dog niets helpende sprong in de heg en geraakte
uyt haar gesigt.
Vervolgens heeft den 10
comparant, Jan van Beers, staande bij Johannes Jan van
den Tillaar, lit der municipaliteit gemelde Albertus
Zwierts op hem aankomen loopen, springende in de sloot,
niet weetende of hij toen in de sloot of daar bij
staande rog bleef.
En verklaert den derde
comparant, Johannes Craenen, den gemelde Albertus
Zwierts toen in den rog zag zitten op handen en voeten,
welke teegen gemelde Albertus Zwierts zeyde: “Staa
keerel, of ik schiet uw overhoopt," op welke gesegde
Albertus Zwierts opsprong en wegliep, schietende toen
den conmparant met syn geweer na den vlugtende Zwierts
voorscreven.
Den 5 comparant, Hendrik van den
Bogaart, verklaart dat toen hij dien laaste schot hoorde,
hy dirtect toe sprong en siende Zwierts vlugtende loopen,
riep den selven toe: “Sta,” dog sulx niet doende
na hem schoot en waarop direct nog een schot van een
ander volgde hem naloopende vervolgende Zwierts, dog kon
hem niet krygen, trekkende hij Albert Zwierts onder het
loopen zijn rok en camisool zeer schielijk uijt en wierp
se weg totdat hij eyndelyk uijt syn gesigt raakte.
En verklaard den zevende comparant, Marten van Valderen,
dat een wijl na dat den laaste schoot gedaan was, hij
als toen op den weg staande gemelde Albertus Zwierts zag
komen aanloopen tussen huysinge van Jan van Hooft ende
woonhuijsinge van Antonij Callars tot ongeveer 14 passen
van hem comparant.
Dat den comparant toen teegen
Zwierts riep: “Sta,” en het geweer op hem
houdende, waar op hy Zwierts terug liep achter het
woonhuijs van Antony Kallars dat den comparant een
moment daarna gemelde Zwierts sag in het woonhuijs van
Antonij Kallars voor een open gat waar comparant
voorstond en en keerende gemelde Zwierts om daar niet
door te komen, roepende tegen de verdere comparanten:
“Omset het huijs.”
Verklaarende den agste
comparant Rut Pijnappels dat hij toen gesien heeft dat
den preesident gemelde Zwierts aan de agterdeur van
voorscreven huijsinge daer meergemelde Albert Zwierts
soo het scheen meende door te koomen bij de borst greep
en dat den preesident seyde: “Geeft uw gevangen,”
‘t geen gemelde Zwierts ook deede, nadat hij eerst nog
een sprong deed, denkelijk om het nog te ontkoomen.
En verklaaren den 1e, 2e, 4e en 6e comparanten (Jacob
Jacot, Jan Gerbrandts, Hendrikus van Gestel en Peter van
Ham) dat sy gemelde Zwierts hebben hooren seggen dat als
hij hey eerder bedagt had, hij hier niet sou gekoomen
hebbe, maar dat hij het Pruysis sou hebben ingegaan.
Waar op een zeker burger, Francis van der Jeugt, aan
gemelde Zwierts antwoorde: “Daar sou ik het beeter
opgehouden hebben.” Seggende toen gemelde Zwierts,
dat hij daar nog niet wel durfde te koomen, om reedenen
hij een Pruysis deserteur was.
Eyndelyk
verklaaren all de comparanten gezamentyk gemelde
geapprehendeerde Zwierts te hebben gebragt in de
raadkamer tot Veghel, uytgenomen den 7e en 10e comparant
(Marte van Valderen en Jan van Beers).”
|
|
R115, fol. 86 (24-7-1798) |
|
Voor “leden der municipaliteyt Veghel” verschenen Jan
van Duynhoven en zijn vrouw Maria Antonij van Dijk,
wonende in Veghel, “beyde staande ter goeder naam en
faam”, die op het verzoek van het “Hoog officie” in Den
Bosch een verklaring afleggen.
Zij verklaren dat
zij in 1797 “zyn ingehuijst in een seeker kamer van een
huijsje staande alhier over de Brugge, genaamt in de
Bruggen. Dat de comparanten aldaar zedert dien tijd
hebben gewoond tot vyff dagen voor pinxteren in deese
jaare [1798].
Dat in gemelde huijsje naast des
comparanten woning woonde seekere Adriaan Huybert Coenen
met syn huysgesin. Dat hij gemelde Adriaen Huybert Coene
in dat jaar dat de comparant daar woonde eerst bij
denselven is in de kost gekomen Meghel Paulus Vervoort,
huijsvrouw van sekere Aalbertus Swierts.
Dat van
tijd tot tijd sedert dat gemelde Meghel Paulus Vervoort
daar was ook kwam gemelde Albertus Swierts, welke int
begin van dat jaar daer sig byna alle daegen heeft
opgehouden en wel so lang tot de comparanten syn
verhuijst. Dat sij comparanten dus alsoo buurluijden
waren en ocasie hebben gehad hem Albertus Swierts wel te
kennen.
Verklarende dus de comparanten dat
gemelde Albertus Swierts was een seer brutaal mensch,
gaande off komende selde off oyt dan gewapent met geweer
en ond, en dat de comparanten enkel en alleenlyk uijt
hoofde van syn brutaal gedrag en schrik voor denselven
haare wooning vyff dagen voor pinxteren van dit jaar
hebben moeten verlaten.
Dat het gebeurt is dat
gemelde Albertus Swierts in off omstreeks de maand maert
laastleden op seekere avond ontrent tien uuren, den
comparanten in haare woning synde, op de voor en
agterdeur kwam stoten, schynende met geweld daer in te
willen syn, drijgende en zeggende onder vloeken en
raasen den eerste comparant harstig dood te schieten
wanneer hij buijten off op ‘t land kwam, sonder dat sij
comparanten wisten hem eenigsints beledigt te hebben.
En veklaart de tweede comparant (Maria Antonij van Dijk)
afsonderlyk dat het gebeurt is op dinsdag den 22 meij
1798, synde vyff dagen voor pinxteren, terwijl de eerste
comparant (haar man Jan van Duynhoven) niet thuys was,
sy tweede comparante uyt hoofde van wederom nieuwe
brutaale bejeginge door gem(elde) Albertus Swierts haar
aangedaan, geresolveert was met haare kinderenhaar
woning te verlaten.
Dat by het vertrekken telkens
wanneer de tweede comparantte iets van haare goederen
uyt haar woning haalde met een bijl in de hand voor haer
kwam sraan, seggende telkens “Canalla nu, vertrek gij,”
hebbende altoos syn groote hond naast sig.
En
toen de tweede comparante het laaste meubel uyt haer
woning bragt, ging hij Albertus Swierts haer na met den
hond en histe die op de tweede comparante aanviel en den
heele rok van haer lyff scheurde en terwijl syn hond
daer meede besig was, trapte, schopte hij Albertus
Swierts haar tweede comparante geduurig soo hard hij kon,
dat ten minste een quartier uur duurde, totdat hy
eyndelyk syn hond riep en haar comparente liet gaan.
Eyndelyk verklaart de tweede comparante alnog
afsonderlyk dat gemelde Albertus Swierts sijde dat het
gerugt was dat de Bosse dienders hier waren geweest om
hem te vatten in drie dagen niet thuijs had geweest, was
thuys gekomen by syn vrouw, dat sy tweede comparante
gemelde Swierts bij het inkomen hoorde seggen aan syn
vrouw: “Maakt gou eeten klaar verdomde canalle, dat
ik weer weg ben en dan kom ik vannagt weer, dan sal ik
uw capot maacken en uw kind tegen den steen capot goijen,
en dan blyff ik voort weg, dan sul je mij van sijn leven
niet meer zien.”
|
|
R115, fol. 88 (26-7-1798) |
|
Voor
“leden der municipaliteit Veghel”, verscheen Tys Tysse
Tillaar, inwonende burger van Veghel, die op verzoek van
“den preesident deeser municipaliteit, waarnemende ‘t
officie alhier” een verklaring aflegt.
Hij verklaart dat
hij “woonende aan den Leest en een coopman van stiel,
dat hij comparant in den nagt des smorgens ten twee
uuren op den tweede februarij 1798 laastleeden door syn
vrou werd wakker gemaakt, welke teegen hem comparant
zeyde: “Tys, ik hoor iets en weet niet wat, het is
seeker niet wel.”
Dat hij comparant na een weynig te
hebben geluijstert, uijt den bed sprong en gewaar wierd
dat er schelmen in huijs waaren, hoorende hij met geld
dat in de lade lag rommeren, en toen sag den comparant
ligt door de muur, alsoo het maenligt was, welke in den
winkel uijt kwam, welk nasiende bevonden een gat te zijn
dat er doorgebrooken was, hebbende hy comparant niemand
gesien, nog ook niet buijten het huijs.
En verklaard den
comparant dat hij hem dien nagt gestoolen was verscheyde
zeijde dassen, bruijne en roode oostindiesche doeken,
kousen, sitsen en catoenen bies en een weijnig gelt
etcetera, staande nog buijten voort gat een vaatje met
koffijboonen en een vatje met nagels, welke hij
comparant weeder in huys heeft gebragt.”
|
|
R115, fol. 89 (10-9-1798) |
|
Op 12 juni 1798 vond er in Den Haag een tegencoup plaats
vond, waarbij de leden van het Uitvoerend Bewind door
meer gematigden werden vervangen.
Pieter Vreede vluchtte naar het buitenland.
Voor “leden der municipaliteyt Veghel” verscheen Willem
Francis Colen, “medcine doctor, wonende alhier”, die op
verzoek van de municipaliteyt Veghel een verklaring
aflegt.
Hij verklaart dat hij “op den 13 julij
deeses jaars, juijst den dag dat de kiesers ter
districtvergadering Veghel bij den anderen waren om een
lid in het vertegenwoordigen lighaam der Bataefse
Republicq te verkiesen, dat als toen soo ‘t scheen
expres ten synen woonhuyse is gekomen Jan Francis van
Eymerik, wonende tot Liempde, synde een der kiesers
wegens Liempde voorscreven, denwelke aan den comparant
versogt alleen te spreeken, soo als hij comparant dan
ook met gemelde Jan Francis van Eymerik in een kamer
apart ging.
Dat doen gemelde Jan Francis van
Eymerick aan den comparant proponeerde dat hij comparant
het volk alhier te Veghel en hier rontom sou opmaken om
Bataafs Braband over te geven aan de Franse Republieq,
en dat hij daer toe een plan had om dat in werking te
brengen en dat men sig maer bij hem sou addresseeren,
offwel bij een seker persoon wiens naam hij noemde, dog
door den comparant vergeeten, welke toen tot Gemert was,
die hem belooft had daer in te sullen soutineeren.
Oock seyde hij aan den comparant dat hij dagelyks
brieven kreeg van Vreede, toen tot Poppel synde ter
volbrenging van dat plan. Dat den comparant daer op aan
denselve Jan Francis van Eymerick antwoorde sig daer
niet mede te willen meleren, waer op hij Jan Francis van
Eymerik zeijde dat hij reets daer agt dagen op gereyst
had en diret sig na Paris zou begeven. Zijnde alsoo de
gesprekken tussen hem comparant en gemelde Jan Francis
van Eymerik geeyndigt.”
|
|
R115, fol. 95 (19-10-1798) |
|
Voor “scheepenen in Veghel” verscheen Jan van Gerwen,
meester timmerman, “staande ter goeder naam en faam”,
wonende in Veghel, om op verzoek van Jan van den Broek,
wonende te Dinther, een verklaring af te leggen.
Hij verklaart “dat het circa elf jaaren is geleeden dat
denselve als timmerman werkte aan het huijs en erve van
Elisabeth Boermans, wedue Jan Wilbert Donkers, staande
alhier aan de Kempkes, welk huys en erve voornoemde
weduwe, soo veel hem comparant bewust, reets in togte (voor
het vruchtgebruik) besat en haaren zoon Johannis en
Jenneke, haare dogter, getrouwt met den requirant (Jan
van den Broek) ten erfregte.
Dat den comparant
van deselve wedue en van haare zoon Johannes heeft
gekogt eene schoone wassende elsenboom, staande aan en
op gemelde erve aan den put voor een somme van neege
guldens tien stuyvers, ofwel tien guldens, welk
different den comparant is vergeeten om reeden soo lang
geleeden is, dog welke som den comparant aan Johannis
haaren zoon betaalt heeft.”
|
|
R115, fol. 95v (19-10-1798) |
|
Voor “scheepenen in Veghel” verscheen Bastjaan van
Mierlo, “staande ter goede naam en faam”, om op verzoek
van Jan van den Broek, wonende te Dinther, een
verklaring af te leggen.
Hij verklaart “dat het
vyf jaaren is geleeden dat den comparant als dan
arbeijder van stijl sijnde, van Johannes Jan Donkers had
aangenomen voor eene somme van vier guldens en twee maal
daags de kost een groot parthij eijke struijken uijt te
roeijen, welke stonden op ‘t klyne bergje op het erf van
Elisabeth Boermans, wedue Jan Wilbort Donkers sijne
moeder, welk erf, soo hij comparant vermeent dat die
wedue toen in togte besat en Johannis haare zoon
voorscreven, en Jenneke haare dogter, getrout met den
requirant (Jan van den Broek) ten erfregte.
Dat
den comparant syn aangenoomen werk heeft volbragt en syn
bedongen loon heeft ontfangen in brood, aardappelen
etcetera van de gemelde wedue Jan Wilbert Donkers, of
haaren zoon Johannes voorscreven die bij alkandere
woonde.”
|
|
R115, fol. 96 (17-10-1798) |
|
Voor “scheepenen in Veghel” verschenen Aart Antonij van
der Heijden en Adriaan van de Crommert, “staan ter goede
naam en faam”, om op verzoek van Jan van den Broek,
wonende te Dinther, een verklaring af te leggen.
Zij verklaren dat zij “als bouwmans knegs hebben gewoond
bij Elisabeth Boermans, wedue Jan Wilbert Donkers. Ende
verklaard den eerste comparant (Aart Antonij van der
Heijden) twee jaaren daar geweest te sijn en wel van St.
Pieter 1788 tot St. Pieter 1790.
Dat den selve in
die tijd door order van Johannes sijnde den soon van
gemelde wedue welk als baas daar fungeerde, heeft
omgekapt eenen swaaren dikken wassende appelboom,
staende op het drieske aan en bij het huijs en erve van
gemelde wedue, welk huijs en erve, zoo de comparant
vermeent, de gemelde weduwe in togt (voor het
vruchtgebruik) besat en voornoemde Johannis haaren zoon
en Jenneken haare dogter, getrouwt met Jan Willem van
den Broek, ten erfregte.
Van welke appelboom
braken syn gemaakt en de rest verbrand. Verders dat den
comparant op gemelde erve off voorpoting door order en
tijden als voor heeft omgekapt verscheijde heele dikke
en swaare, die men niet kon omvademen nog wassende
knooteijken en die alle verbrandt.
Ende verklaart
den tweede comparant (Adriaan van de Crommert) een jaar
daar geweest te sijn en wel van St. Peeter 1792 tot St.
Peeter 1793. Dat denselve in dier tijd door order van
Johannis, zynde den zoon van gemelde wedue welke als
baas daar fungeerde, heeft omgekapt een nog wassende
dikke knooteijk, staande op de voorpoting als ook eenen
wassende opgaende eijk, staande op Jan Corsten Camp,
beyde op erve en voorpooting van dien van gemelde wedue,
welke erve, soo den comparant vermeent de gemelde wedue
in togt besat en voornoemde haaren zoon Johannis en
Jenneke haare dogter, getrout met den requirant (Jan van
den Broek) ten erfregte.”
|
|