Verklaringen afgelegd in 1796
|
R115, fol. 24 (15-4-1796) |
|
Zie ook de kroniek van
1796.
Voor “leden van de municipaliteyt Veghel” verscheen
Peter Jansse Verhoeven, inwoner van Veghel, die op
verzoek van Johan Boellaard, “gelicenteerd commissaris
collecteur des convoijen en licenten alhier” een
verklaring aflegt.
Peter verklaart dat hij op de
openbare verkoop van de goederen van de kinderen van
Dirk Vermeulen, gehouden in Veghel op 16 december 1789
“was borg gebleeven voor Dielis van Eewijk, coopman,
inwoonder te Driel in den Bommelerwaard, voor een vaal
bonte koebeest, die denselve Dielis van Eewijk daar
gekogt had en vervolgens getransporteert, nadat hij
alvoorens daar van paspoort bij den toenmaligen commies
van Eijmeren gehaald had na Driel.
Dat eenige tijd daar
na den comparant (Peter Jansse Verhoeven) op verzoek van
den requirant (commissaris Johan Boellaard) zig had
begeeven na Driel ten huijsen van gemelde Dielis van Eewijk, hem versoekende oft hy de door hem gehaalde
paspoort bij van Eijmeren van dat gemelde koebeest
eens mogt zien, en off hij die paspoort mede na het
comptoir (kantoor), dat alls toen wierd gehouden door den
requirant (commissaris Johan Boellaard) mogt neemen.
Welk versoek door Dielis van Eewijk is gedaan en hem
comparant deselvde paspoort, zoo hij verklaarde, van dat
koebeest bij Van Eijmeren gehaald, had overgegeeven. Dat
den comparant (Peter Jansse Verhoeven) vervolgens die
paspoort heeft op des requirants comptoir gebragt.
Dat
op gemelde paspoort stond geschreeven en geteekent
door Van Eijmeren voor Dielis van Eewijkeen koebeest om
vervoert te worden van Veghel na Driel met een merk Lt.
1-10-0.
Dat door den requirant aan hem comparant verders
toen is aangetoont geworden het register der
binnenlandsche paspoorten van de convooyen en licenten,
en dat aldaar op hetzelvde nommer en datum dier
paspoort stond aangeteekent met de hand van gemelde
Van Eijmeren voor Dielis van Eewijk een (vaars) om
vervoert te worden van Veghel na Driel en daar voor in
reekening voort land gebragt 15 stuijvers.
Verders
verklaart hij comparant dat hij op den 5 maart 1796 preesent is geweest tijde dat van Eijmeren quam om het
comptoir van den geliceentieerde commies Boellaard over
te neemen, dat over het geval boven verklaard gesproken
is geworden.
Dat toen Van Eijmeren zeijde hem Boellaard
de 15 stuijvers die het land te kort was gekoomen
verreekend te hebben, en dat Boellaard daar op andwoorde:
“Dat lieg je als een schurk.” En dat toen twee
scheepenen en secretaris in de kamer zijn gekoomen die
Van Eijmeren en Boellaard haaren last voorleesden,
sonder dit precies te hebben onthouden wat sulx
behelsden. En dat toen die commissie als meede Van
Eijmeren zonder verdere woorden wisseling zijn
vertrokken.”
|
|
R115, fol. 25 (11-4-1796) |
|
Voor “leden van de municipaliteyt Veghel” verscheen
Francis van Eyk, “coopman en wonende alhier”, die op
verzoek van Johan Boellaard, “thans gelicienseerde
commies der convoijen en licenten alhier” een verklaring
aflegt.
Hij verklaart “dat hij na sijn best
onthouden op den 30sten december 1795 was gekomen ten
huijse van den requirant (commissaris Johan Boellaard),
vindende daar Van Eijmeren, tegenwoordig commies van de
convoijen en licenten, denwelke, soo den comparant (Francis
van Eyk) vernomen had, daar was om af te rekenen met
Boellard (de redenen dat den comparant daar ging was in
hoope om wanneer hij Van Eijmeren gelt van Boellard
horen te ontvangen, dan ook syn preetensie die hij krygt
ten laste van Van Eijmeren had, soude voldaan worden),
die aan Van Eijmeren rekening doende, aanbood na aftrek
vant geene Boellard soude toekomen de rest te betalen.
Dat er intussen verschil kwam en woorden voorvielen en
onder andere dat Boellard aan Van Eijmeren seijde, soo
als hij comparant het best heeft onthouden, “Dat soo
dikwils als het land omver tolt, wentel je ook weer om,”
en off hij Boellard van te voren aan Van Eijmeren
seijde, “Je bent een schurk,” weet den comparant
niet wel meer te seggen. En dat al verder ten voordeele
off nadeele vant land gesproken is, en dat Van Eijmeren
reets voor den comparant uijt dat huijs vertrokken was.”
|
|
R115, fol. 26 (15-4-1796) |
|
Voor “leden van de municpialiteijt van Veghel”
verschenen Dries van de Vleut, Rut Pijnappels, Peeter
Craanen, Goort Vervoort, en Johannes Craanen, “alle
inwoonderen alhier in en ontrent de Straat”, om op
verzoek van Johan Boellaard, “thans gelicentieerd
commies der convoijen en licenten alhier”, om een
verklaring af te leggen.
Zij verklaren “dat zij
zeer wel kennen den tegenwoordigen in plaats van den
requirant (commisaris Johannes Boelaard) ingestelde
commies Van Eijmeren. Dat Van Eijmeren geduurende
verscheijde jaaren, en ook tyden dat den requirant het
comptoir (kantoor) als commies waarnam hier heeft
gewoond. Dat zij comparanten in die tijd altijd hebben
hooren zeggen dat Van Eijmeren een groote Orange klant
was, syn eijgen sterk vooruijt siet, en zijn huijsgesin
bij ieder daar voor bekent stond en ook toonde door het
dragen der groote en buijtengewoonen versierselen van
orangie cocardes en lijsten tot kort voor de omwenteling
toe.
En verklaart afsonderlijk den eersten
comparant (Dries van de Vleut) dat op zeekeren avond
tijden dat er Hanoverse troupes binnen deese plaets
waaren gekoomen welke na d’ armee moesten, zig onder off
bij de troupes op de Straat voegde de vrouw Van Eijmeren
en aan deselve zeijde, dat zij blijde was dat zij haar
quaamen verlossen, want dat het hier alle patriotten
waaren, uijtgenome vier huijshoudens, en dat 19 lieden
daar zo van geplaagt wierden.
En dat hij
comparant met meer andere toen zeer bevreest waaren, dat
er geplundert zou hebben geworden. Dat naderhand ook is
vertelt dat de officieren zelvs zoude hebben gezegt, dat
zij haar best moesten doen uijt hoofden van die
gesegdens haar volk in order te houden.
En
verklaaren de tweede en derde comparanten (Rut
Pijnappels en Peeter Craanen) afsonderlijk dat sij
verscheyde malen hadde hooren zeggen dat zij en het
huijsgesin bij Van Eijmeren hadde gemaakt een lijst van
al die geene die den eersten vryheidboom had geplant.
En verklaart den 2e comparant (Rut
Pijnappels) afzonderlijk dat de huijsvrouw Van Eijmeren
zelvs aan zijn comparants vrouw zou hebben gezegt, dat
zij een galg moesten timmeren om die daar aan te hangen
die de vrijheidsboon had geplant.
Verders
verklaart den 2 en 4 comparant (Rut Pijnappels en Goort
Vervoort) dat gem(elde) huijsvrouw van Van Eijmeren aan
den huijsvrouw van Gerrit van den Heuvel zou hebben
gesegt dat er wel diende een galg gemaakt te worden van
hier na Erp om al de Veghelsche patriotten aan op te
hangen.”
|
|
R115, fol. 27 (15-4-1796) |
|
Voor “leden van de municipaliteyt Veghel” verscheen
Theodora Gerbrandts, wonende in Veghel, die op verzoek
van Johan Boellaard, “tans gelicentieerd commies
collecteur der convoijen en licenten alhier” om een
verklaring af te leggen.
Zij verklaart “dat tans
collecteur der convoijen en licenten alhier Van Eijmeren
over circa 2 à drie jaaren, niet vast te weeten hoe lang
sulx geleeden was, op een morgen vroeg in haar
woonhuysinge was gekomen, dat men sprak over de
omstandigheiden van het land en over het inrukken der
France troupes hier int land, dat men int generaal daar
bang voor begon te worden.
Dat denselve Van
Eijmeeren toen seijde dat men daar niet bang voor moest
zijn, dat die luyden die geen God off Godsdienst hadden
de overhand zouden houden, dat men dan voor een
oogenblik moest stellen dat God dan onregtvaardig was.”
|
|
R115, fol. 29 (12-5-1796) |
|
Zie ook de kroniek van
1794.
Voor “leden van de municipalieit
Veghel” verschenen Jan Jansse van der Heijden, Tijs Jan
Tillaar, Dirk Johannes Donkers, en Anthonij Adriaan
Versteegden, allen buren van Willem Jan Willems,
“woonende alhier tot Veghel op Zontvelt”.
Zij
verklaren “dat op de verpagting van slands tiendens
binnen ’s Bosch in den jaare 1794 gehouden den gemelde
Willem Jan Willems, Adriaan Rut de Leest, en Hendricus
Peeter Lambers, tesamen hadden gepagt een van die tiende
genaamt Eerste Zontveltse tiende.
Dat deselve
tiende gedeeltelijk door haar is opgereeden en in haare
schuure gesamelt en gedeeltelijk op de velden was
blijven staan in welke tyd de groote Framce armee in
dieselve velden en schuur haaren insameling was
neergeslagen.
Dat het geene nog op het velt stond
van die tiende daar door is weggehaalt, beneevens ook
gedeelterlijk ’t geen in de schuur was opgereeden, ende
dat zijlieden bij die pagt veel schade hebben geleeden.
En dat deselve in haar particulier, zoo van huijsraad,
hooij, strooij, graane, etcetera, zeer veel zijn
berooft.”
“Wijders verklaaren de ondergeteekende
leden van de municipaliteit dat de bovengenoemde alle
lieden zijn staande ter goeder naam en faam en dat zij
ook wel gehoord hebben, dat die drie persoonen veel
schade als boven hebben geleeden en ongelukkig soude
weesen die pagt te moeten voldoen, terwijl waar is dat
tenminsten de 2 eerste pagters (Willem Jan Willems en
Adriaan Rut de Leest) maar seer simpele klijne en
geringe landlieden zijn en haar geluk of ongeluk aan
haar jaarlijks gewas van granen afhangt om doodarm te
weesen, dan off het gering levensonderhoud te genieten,
waaromme wij deese onse verklaring gratis geeven.”
|
|
R115, fol. 29 (13-5-1796) |
|
Zie ook de kroniek van
1794.
Voor “leden van de municipalieit
Veghel” verschenen Wilbert Matijs Wilbers, Gerrit van
Eert, en Mighiel Peeter Versteegde, “alle nabuuren van
Dirk Johannes Donkers, wonende alhier tot Veghel bij ’t
Zontvelt.”
Zij verklaren “dat op de verpagting
van slands tiendens binnen ‘s Bosch in den jaare 1794
gehouden, den gemelde Dirk Johannes Donkers, Tijs Jan
Tillaar, en Tonij Corstiaan Versteegden tesamen hadden
gepagt een van de tiende, genaamt den 1e
clamp van Crijtenburg.
Dat deselve tiende
beneevens de pagters der Zontveltse tiende en andere
aldaar liggende tiende gedeeltelijk door haar is
opgereeden en in haare schuure gesamelt, en gedeeltelijk
op de velden was blijven staan.
In welke tijd de
groote France Armee in die selvde velden en schuur
haaren insameling was neergeslagen. Dat hetgeen nog op
het velt stond van die tiende daar door is weggehaalt,
beneevens ook gedeeltelijk ’t geen in de schuur was
opgereeden en dus dat zij lieden bij die pagt veel
schade hebben geleeden en dat deselve in haar
particulier zoo van huijsraad, hooij, strooij, graanen
etc(etera) zeer veel zijn ontroofd.”
|
|
R115, fol. 31 (25-7-1796) |
|
Zie ook de kroniek van
1794.
Voor leden van de minicipaliteit Veghel verschenen Jan
Nol de Leest, en Johannes Jan van de Logt, “staande ter
goeder naam en faam”, die een verklaring afleggen op
verzoek van Johannes Jan Jan Willems, lambert B. van de
Rijt en Hendrik Baltus van de Rijt, “pagters geweest
sijnde van den derde clamp novalia tiende over den jaare
1794.
Zij verklaren “dat zij zijn naaste buuren van der
requiranten die pagter zijn geweest van bovengemelde
clamp novalia tiende, dat tijde der inrukking der France
armee binnen deesen dorpen de requiranten niets van de
graanen van gemelde clamp tiende behouden hebben, en
alle door de gemelde troupes zyn weg gehaalt,
uijtgesondert alleenlijk drie vimmen en vijfentwintig
schoven rog, ieder vim hondert schove gereekent,
beneevens zeeven vaten boekwijt en zeeven vat rog en
eenig vlas.”
|
|
R115, fol. 31v (25-7-1796) |
|
Verschenen voor leden van de municipaliteit van Veghel
Leendert van den Bogaart en Laurens van der Heijden,
“staande ter goeder naam en faam” die op verzoek van
Willem Willem Verbruggen en Leendert Verhoeven, “pagters
geweest zijnde van de eerste clamp novalia tiende over
den jaare 1794”, een verklaring afleggen.
Zij verklaren dat zij “dier tijd geweest zyn naeste
buuren van Willem Willem Verbruuggen, een der
requiranten. Dat zij wel weeten en nog vers in haar
geheugen is dat tijde der insameling dier tiende de
France armee hier binnen is gerukt en dat de gemelde
requiranten niets van haar gepagte tiende en zelve niets
van haar eyge graanen hebben gehad en behouden, en dat
dit alles door die armee is weggehaalt uijtgenomen het
vlas.”
|
|